Bijlage 9 Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Examenprogramma MUZIEK eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt. 2. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de eindtermen 7 tot en met 11 en omvat vragen en opdrachten bij auditief en visueel aangeboden muziekteksten en/of muzikale fragmenten. 3. Het schoolonderzoek Het schoolonderzoek heeft betrekking op alle vaardigheden en eindtermen, met dien verstande dat de bij het centraal examen betrokken eindtermen niet behoeven te worden getoetst. Aanwijzingen C en D Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten, waarbij rekening gehouden wordt met verschillen in cognitieve verwerking. Examenstof De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen. 1. Vaardigheden De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen: De kandidaat kan 2. Eindtermen Domein A.: Musiceren Subdomein: zingen De kandidaat kan
- 1. een eigen standpunt over beluisterde muziek verwoorden met behulp van vakspecifieke begrippen;
- 2. alleen en in samenwerking met anderen problemen oplossen bij het spelen en zingen en/of het ontwerpen van muziek;
- 3. met anderen samenwerken bij het spelen en zingen en/of het ontwerpen van muziek.
- 1 een repertoire van één- en/of meerstemmige vocale muziek correct en met expressie uitvoeren; (Correct: in tempo, in de maat, ritmisch, zuiver, met dynamiek, met frasering, met articulatie. Het betreft vocale muziek die gevarieerd is naar:
- opbouw
- expressie
- soorten, genres, stijlen: volksmuziek, lichte muziek, popmuziek, jazz, kunstmuziek
- cultuur (westerse en niet-westerse muziek)
- historie
- functies)
- 2 het uitgevoerde repertoire in een historische, culturele en/of sociale context plaatsen. Subdomein: spelen De kandidaat kan
- 3 individueel en in groepsverband een repertoire van één-en/of meerstemmige speelstukken en – voor zover er sprake is van genoteerde muziek – in overeenstemming met deze notatie uitvoeren; (Het betreft een speelrepertoire dat gevarieerd is naar: (Het betreft de volgende aspecten van de notatie: Ritme: veel voorkomende ritmische figuren, notenwaarden: hele tot en met zestiende noot en rust, verlenging van een noot met een punt achter de noot tot en met achtste noot, verbindingsboog, triool, fermate. Maat: twee- en driedelige maatsoort, ook in combinatie (2/4, 3/4, 4/4, 3/8, 6/8) en opmaat. Tempo: tempi in categorieën: langzaam, rustig en snel: largo, adagio, andante, moderato, allegro, presto; tempowijzigingen: accelerando, ritenuto, a tempo. Toonhoogte: in de G-sleutel met kruis, mol, herstellingsteken (maximaal drie voortekens). Dynamiek: dynamische aanwijzingen: fortissimo (ff), forte (f), mezzo-piano (mp), piano (p), pianissimo (pp), tekens voor crescendo, decrescendo, terrassendynamiek, overgangsdynamiek. Uitvoeringspraktijk: uitvoeren van articulatietechnieken bijv: pizzicato, legato, staccato.) het speelrepertoire in een historische, culturele en/of sociale context plaatsen.
- opbouw
- expressie
- soorten, genres, stijlen: volksmuziek, lichte muziek, popmuziek, jazz, kunstmuziek
- cultuur (westerse en niet-westerse muziek)
- historie
- functies)
- 4 het speelrepertoire in een historische, culturele en/of sociale context plaatsen. Subdomein: ontwerpen De kandidaat kan
- 5 met gebruik van formeel-muzikale aspecten en associaties een gegeven muziekfragment vervolgen, aanvullen of variëren, met instrumenten en/of de stem; (Variëren: op het tempo, de maatsoort, het ritme, de melodie, de instrumentatie, de samenklank, de uitvoeringspraktijk. Het betreft hier de volgende formeel-muzikale aspecten: Klankeigenschappen: duur, hoogte, sterkte, kleur. Systemen: tempo, maat/metrum, ritme, klankkleur, toonhoogte, dynamiek, samenklank. Vormprincipes: contrast, herhaling, variatie, ontwikkeling. Vormen/structuren.)
- 6 vanuit een (buiten)muzikaal gegeven een muziekstuk ontwerpen gebruik makend van instrumenten en/of de stem, waarbij voornoemde formeel-muzikale aspecten en associaties als inhoudselementen dienen om de relatie vorm te geven tussen de betekenissen van het (buiten)muzikaal gegeven en het eigen muzikaal ontwerp. Domein B.: Beluisteren Subdomein: noteren De kandidaat kan
- 7 formeel-muzikale aspecten noteren: (Het betreft hier de volgende formeel-muzikale aspecten: Ritme: toonduur, verbindingsboog, beat en afterbeat. Maat: opmaat, twee- en driedelige maatsoort. Tempo: tempi in categorieën: langzaam, rustig en snel; largo, adagio, andante, allegro, presto; tempowijzigingen: accelerando, ritenuto, a tempo. Toonhoogte: globaal toonhoogteverloop in richting en afstand. Dynamiek: het dynamisch verloop: fortissimo (ff), forte (f), mezzo-forte (mf), mezzo-piano (mp), piano (p), pianissimo (pp), crescen-do, decrescendo, terrassendynamiek, overgangsdynamiek. Samenklank: homofonie en polyfonie, unisono-moment, tegenstem, tegenmelodie, twee- en driestemmig. Uitvoeringspraktijk: pizzicato, legato, staccato. Klankkleur: zangstemmen, stemgebruik, instrumenten, koor en orkest. Vormprincipes: contrast, herhaling, variatie, ontwikkeling. Vorm en structuur: motief, muzikale zinnen, voor- en nazin, thema, break, refrein, rondovorm, canon, voorspel (intro), naspel, tussenspel en bridge.)
- in grafische symbolen
- in muziekschrift
- in taal
- 8 een muzieknotatie volgen. (Het betreft hier muzieknotatie met de volgende kenmerken: Ritme: notenwaarden en rusten (hele tot en met zestiende noot), verlenging van de noot met een punt achter de noot, verbindingsboog, triool. Melodie: G-sleutel met voortekens (maximaal drie): kruis, mol, herstellingsteken.) Subdomein: verwoorden De kandidaat kan
- 9 van beluisterde muziek formeel-muzikale aspecten benoemen; (Het betreft de volgende formeel-muzikale aspecten: Ritme: afwisseling van geluid en stilte; toonduur, verbindingsboog, beat en afterbeat. Maat: opmaat, twee- en driedelige maatsoort. Tempo: tempi in categorieën: langzaam, rustig en snel; largo, adagio, andante, allegro, presto; tempowijzigingen: accelerando, ritenuto, a tempo. Toonhoogte: globaal toonhoogteverloop in richting en afstand. Dynamiek: het dynamisch verloop: fortissimo (ff), forte (f), mezzo-forte (mf), mezzo-piano (mp), piano (p), pianissimo (pp), crescendo, decrescendo, terrassendynamiek, overgangs-dynamiek. Samenklank: homofonie en polyfonie, unisono-moment, tegenstem, tegenmelodie, twee- en driestemmig. Uitvoeringspraktijk: pizzicato, legato, staccato. Klankkleur: zangstemmen, stemgebruik, instrumenten, koren en orkesten. Vormprincipes: contrast, herhaling, variatie, ontwikkeling. Vorm en structuur: motief, muzikale zinnen, voor- en nazin, thema, break, liedvorm, refrein, rondovorm, canon, voorspel (intro), naspel, tussenspel en bridge.)
- 10 van beluisterde muziek betekenissen noemen door te verwijzen naar de bij 9 genoemde formeel-muzikale aspecten en/of associaties met een buitenmuzikaal gegeven;
- 11 de relatie toelichten tussen beluisterde muziek en een bepaalde situatie door te verwijzen naar de bij 9 genoemde formeel-muzikale aspecten en de bij 10 bedoelde betekenissen;
- 12 de historische, culturele en/of sociale context van een beluisterd muziekstuk toelichten, onderbouwd met argumenten die verwijzen naar formeel-muzikale aspecten, betekenissen en functies van het muziekstuk;
- 13 de eigen ervaring met en mening over beluisterde muziek onderbouwen met argumenten die verwijzen naar formeelmuzikale aspecten, betekenissen en functies van het muziekstuk.