Bijlage 8 Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Examenprogramma ECONOMIE Eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt. 2. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen in de drie domeinen. 3. Het schoolonderzoek Aanwijzingen C en D Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. Het onderscheid tussen beide berust op verschillen in teksten en in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten. Examenstof De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen. 1. Vaardigheden De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen: De kandidaat kan 2. Eindtermen Domein A.: De kandidaat als consument Subdomein: kopen De kandidaat kan
- a. Het schoolonderzoek heeft eveneens betrekking op de vaardigheden en de eindtermen in de drie domeinen.
- b. Eén onderdeel van het schoolonderzoek dient gestalte te krijgen door zelfstandige bestudering of zelfstandig onderzoek van een economisch gericht onderwerp, door de kandidaat te kiezen uit een van de domeinen. Het onderwerp is niet voor alle kandidaten hetzelfde.
- 1. bij maatschappelijke verschijnselen, ontwikkelingen en vraagstukken de economische benaderingswijze en begrippen herkennen en toepassen;
- 2. economische berekeningen maken met behulp van eenvoudige rekenkundige en statistische bewerkingen;
- 3. activiteiten uitvoeren zoals die binnen een eenvoudig onderzoek voorkomen:
- uit bronnen een probleemstelling formuleren;
- gegevens verzamelen door eigen waarneming of door het raadplegen van bronnen, en informatiebronnen (waaronder massamedia) kritisch beoordelen;
- gegevens ordenen en overzichtelijk weergeven, waar nodig in tabellen, diagrammen, schema's en kaarten;
- conclusies trekken uit gegevens;
- de resultaten van eigen onderzoek presenteren;
- 4. het verband aangeven tussen relevante economische kennis en vaardigheden en de praktijk van verschillende beroepen;
- 5. met behulp van de economische benaderingswijze een beargumenteerd standpunt formuleren over gegeven economisch-maatschappelijke vraagstukken.
- 1 toelichten dat kopen en verkopen door ver doorgevoerde arbeidsverdeling een belangrijke rol spelen bij het voorzien in behoeften;
- 2 het verschil in marktpositie tussen koper en verkoper beschrijven en daarbij jongeren als belangrijke doelgroep betrekken;
- 3 factoren die van invloed zijn op (veranderingen in) kopers- en verkopersgedrag noemen en voorbeelden geven van wettelijke regels ter bescherming van de positie van de koper;
- 4 de rol van geld in onze economische samenleving uitleggen en zowel in eigen land als in het buitenland verschillende vormen van betalen noemen;
- 5 aan de hand van verzamelde of verstrekte consumenteninformatie, gegeven een aantal criteria, een voorgenomen koopbeslissing beoordelen;
- 6 een koopbeslissing nemen en daarbij rekening houden met de gevolgen van die koopbeslissing voor zichzelf en voor anderen. Subdomein: budgetteren De kandidaat kan
- 7 een gezinsbudgetplan opstellen als hulpmiddel bij het verkrijgen van inzicht in de financiële gezinssituatie en daarbij de eigen invloed beschrijven op beslissingen over de omvang en samenstelling van de uitgaven;
- 8 uit een gezinsbudgetplan conclusies trekken over de financiële situatie van het gezin;
- 9 de noodzaak van een goede financiële administratie toelichten. Subdomein: Sparen en lenen De kandidaat kan
- 10 motieven voor sparen en lenen noemen, de rol van de financiële instellingen daarbij beschrijven en voorbeelden geven van gevolgen van sparen en lenen;
- 11 aan de hand van verstrekte of verzamelde gegevens de meest gunstige spaarvorm en leningsvorm vaststellen;
- 12 de maatschappelijke betekenis en wenselijkheid van lenen en sparen toelichten. Subdomein: verzekeren De kandidaat kan
- 13 het belang van verzekeren in het economisch leven toelichten, waarbij rekening gehouden wordt met verzekeringsmotieven, het verschil tussen sociale en particuliere verzekeringen, het afwegen van risico tegenover premie, de (ongelijke) positie van verzekerde en verzekeringsmaatschappijen;
- 14 voorbeelden geven van sociale en particuliere verzekeringen en eenvoudige berekeningen uitvoeren met betrekking tot premie en uitkering;
- 15 de noodzaak van het verzekeren voor hemzelf afwegen. Subdomein: wonen De kandidaat kan
- 16 de voordelen en nadelen noemen van de diverse vormen van huisvesting;
- 17 verschillende mogelijkheden noemen voor het verkrijgen van huisvesting en de belangrijkste praktische en juridische kenmerken toelichten van een huur- en koopovereenkomst;
- 18 aan de hand van verstrekte of verzamelde gegevens en rekening houdend met gegeven criteria, beoordelen of woonruimte gehuurd, dan wel gekocht zal worden. Domein B: De kandidaat in relatie tot de produktie Subdomein: produceren De kandidaat kan
- 19 de plaats van produceren, zowel in ruime als in enge zin, in de maatschappelijke behoeftenvoorziening toelichten en daarbij produktiefactoren betrekken;
- 20 beschrijven hoe het produktieproces in bedrijven in een aantal fasen kan worden verdeeld, waarbij telkens waardetoevoeging plaatsvindt;
- 21 het verband verklaren tussen de begrippen kosten, opbrengsten, winst en verlies, zowel in maatschappelijke of ruime zin als in enge zin en eenvoudige berekeningen in dit verband maken met behulp van verstrekte of verzamelde gegevens;
- 22 een beschrijving geven van een aantal aspecten in verband met de interne organisatie in bedrijven in verband met produktie, medezeggenschap, juridische vorm. Subdomein: verkopen en administreren De kandidaat kan
- 23 de mogelijkheden beschrijven die de verkoper heeft om de omzet te vergroten;
- 24 aan de hand van verstrekte of verzamelde gegevens de balans en de verlies- en winstrekening van een bedrijf en de staat van baten en lasten van een vereniging opstellen;
- 25 aan de hand van opeenvolgende staten van baten en lasten en verlies- en winstrekeningen (balansen) conclusies trekken over het te voeren financiële beleid;
- 26 de noodzaak van een goede administratie bij bedrijven en verenigingen toelichten. Subdomein: arbeid De kandidaat kan
- 27 de samenhang verduidelijken tussen de begrippen arbeidsverdeling, arbeidsproduktiviteit en welvaart en in dit verband arbeidsverdeling in en buiten het gezin, tussen bedrijven en tussen landen onderscheiden;
- 28 toelichten dat de produktie zowel in de formele als de informele sector tot stand komt met behulp van zowel betaalde als onbetaalde arbeid;
- 29 de omvang en de samenstelling van de Nederlandse bevolking en beroepsbevolking aangeven;
- 30 het principe van de werking van de arbeidsmarkt verduidelijken;
- 31 in relatie tot verschillende arbeidssituaties en typen functies het verband beschrijven tussen scholing en de positie van mensen op de arbeidsmarkt;
- 32 beschrijven hoe een individuele en collectieve arbeidsovereenkomst tot stand komt en de belangrijkste onderdelen van een dergelijke overeenkomst noemen;
- 33 de maatschappelijke betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid door mannen en vrouwen en verschillende opvattingen daarover toelichten. Domein C.: De kandidaat als burger Subdomein: overheid/collectieve sector De kandidaat kan
- 34 de plaats en functies van de collectieve sector in onze (economische) samenleving beschrijven en uitleggen dat de taken van de collectieve sector mede bepaald worden door de complexi-teit van de samenleving, de omvang van de welvaart en de doelstellingen van economische politiek;
- 35 aangeven dat de collectieve sector bestaat uit de overheid en sociale zekerheid en met behulp van concrete voorbeelden toelichten dat de taken van de collectieve sector in wetten vastliggen;
- 36 concrete voorbeelden geven van overheidsontvangsten en overheidsuitgaven en met de omvang hiervan het belang van de overheidssector ten opzichte van de particuliere sector verduidelijken;
- 37 de belangrijkste kenmerken van het socialezekerheidsstelsel beschrijven;
- 38 de belangrijkste belastingwetten noemen en aan de hand van verstrekte of verzamelde gegevens eenvoudige berekeningen uitvoeren van loon- en inkomstenbelasting en BTW;
- 39 het nut en de noodzaak van wetgeving en collectieve voorzieningen en verschillende opvattingen daarover toelichten. Subdomein: inkomensverdeling De kandidaat kan
- 40 oorzaken van inkomensverschillen noemen en verklaren dat welvaartsvergelijkingen op basis van inkomensverschillen een beperkte betekenis hebben;
- 41 instrumenten noemen die de overheid heeft om inkomensverschillen te verkleinen en de werking van die instrumenten toelichten. Subdomein: werkloosheid De kandidaat kan
- 42 de werkloosheid onderscheiden in soorten, groepen en omvang en vergelijken met die in andere landen;
- 43 oorzaken van verschillende soorten werkloosheid en mogelijkheden tot bestrijding noemen;
- 44 persoonlijke, maatschappelijke en economische gevolgen van werkloosheid beschrijven en de sociale uitkeringen in verband met werkloosheid noemen;
- 45 verschillende opvattingen over de economische, maatschappelijke en sociale gevolgen van werkloosheid en over maatregelen ter bestrijding van werkloosheid toelichten. Subdomein: inflatie De kandidaat kan
- 46 oorzaken en gevolgen van de waardevermindering van het geld noemen en verduidelijken;
- 47 maatregelen toelichten die de overheid kan nemen bij het bestrijden van inflatie;
- 48 aan de hand van verstrekte of verzamelde gegevens de samenhang tussen de begrippen nominaal (nationaal) inkomen, prijscompensatie en reëel (nationaal) inkomen toelichten. Subdomein: wereldhandel De kandidaat kan
- 49 het belang van het buitenland, met name andere landen van de Europese Unie voor de Nederlandse economie toelichten met behulp van gegevens van de Nederlandse betalingsbalans en daarbij de voordelen van internationale arbeidsverdeling noemen;
- 50 van de Europese Unie de belangrijkste kenmerken noemen en haar rol ten opzichte van Oost-Europa en in de wereldhandel verduidelijken;
- 51 oorzaken en gevolgen van een tekort of overschot op handels- en/of dienstenbalans noemen en de mogelijkheden beschrijven om een dergelijk tekort of overschot te voorkomen of te bestrijden. Subdomein: internationale economische orde De kandidaat kan
- 52 oorzaken en economische, maatschappelijke en sociale gevolgen van welvaartsverschillen tussen rijke en arme landen met elkaar in verband brengen en toelichten;
- 53 kenmerken van verschillende economische orden noemen;
- 54 maatregelen noemen om onderontwikkeling te verminderen en de rol van de overheid en van individuele personen daarbij verduidelijken;
- 55 verschillende opvattingen over welvaartsverschillen tussen landen en over de mogelijkheden om die verschillen te verkleinen toelichten. Subdomein: milieu De kandidaat kan
- 56 de samenhang tussen consumptie, produktie en het milieu verduidelijken;
- 57 met concrete voorbeelden oorzaken en gevolgen van milieuschade toelichten;
- 58 concrete maatregelen noemen om milieuschade te voorkomen en te bestrijden, en hierbij de rol van de overheid en van individuele personen verduidelijken;
- 59 verschillende opvattingen over gevolgen van milieuschade en over de mogelijkheden om milieuschade te voorkomen en te bestrijden toelichten.