Bijlage 7 Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Examenprogramma BIOLOGIE eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt. 2. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen met uitzondering van de eindterm van het domein A Practicum (eindterm 1) en de daarmee verbonden vaardigheid 2 voor zover die betrekking hebben op het daadwerkelijk uitvoeren van het practicum. Eveneens uitgezonderd is vaardigheid 5 voor zover die betrekking heeft op het daadwerkelijk werken met de computer. Bij het centraal examen kunnen dus wel vragen worden gesteld en opdrachten gegeven naar aanleiding van beschreven practicumen computeractiviteiten. Uitgezonderd van het centraal examen zijn verder de volgende eindtermen: 39, 67, de eindtermen van het domein G Gedrag (69 tot en met 75). De vragen en opdrachten in het centraal examen worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd. 3. Het schoolonderzoek Het schoolonderzoek heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. De vragen en opdrachten in het schoolonderzoek worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd. De toetsing van het domein A Practicum heeft betrekking op ten minste twee der onderdelen a, b, c, d en e van eindterm 1. Aanwijzingen C en D Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten. Examenstof De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen. 1. Vaardigheden De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen: De kandidaat kan 2. Eindtermen Domein A.: Practicum De kandidaat kan
- 1. verbanden leggen tussen biologische verschijnselen en biologische begrippen, regels en wetten;
- 2. eenvoudig biologisch onderzoek voorbereiden en uitvoeren, zoals aangegeven is in domein A;
- 3. natuurwetenschappelijke vaktaal hanteren: algemeen voorkomende natuurwetenschappelijke grootheden, eenheden en relaties hanteren;
- 4. informatiebronnen kiezen en uit beschikbare gegevens informatie selecteren en toepassen en daarbij onderscheid maken tussen feiten en meningen;
- 5. de computer gebruiken bij het verzamelen of verwerken van gegevens of het inzichtelijk maken van processen;
- 6. een relatie leggen tussen biologische kennis en vaardigheden en de praktijk van verschillende beroepen;
- 7. praktische toepassingen en maatschappelijke effecten benoemen van biologische kennis en vaardigheden, in verschillende maatschappelijke situaties;
- 8. in keuzesituaties:
- relevante biologische en maatschappelijke informatie verzamelen;
- verschillende gedragsmogelijkheden noemen;
- argumentatie voor een mening geven.
- 1 eenvoudig onderzoek dan wel een andere activiteit waarin de actieve en praktische zelfwerkzaamheid van de kandidaat op de voorgrond staat voorbereiden en uitvoeren: ad a experimenten voorbereiden en uitvoeren volgens een gegeven volledig of onvolledig voorschrift om eenvoudige probleemstellingen te onderzoeken, (Zoals: het aantonen van zetmeel en koolstofdioxide; het aantonen van verschillen tussen plantaardige en dierlijke cellen; het nagaan van de invloed van a-biotische factoren op de groei van erwteplantjes; het verrichten van onderzoek naar de levenscyclus van een bepaalde soort.) en daarbij ad b bij een onderzoeksopdracht valt te denken aan onderzoeken naar bijvoorbeeld kenmerken van gedrag van: ad c bij een veldopdracht valt te denken aan: ad d bij de verwerking van gegevens naar aanleiding van een bezoek aan een instelling valt te denken aan zaken als: ad e bij een zelfstandige studie van een zelf gekozen biologisch onderwerp gaat het om het verzamelen en bewerken van biologische informatie uit verschillende bronnen; (Additief leerlinggericht materiaal; interviews; museumbezoek.) Domein B.: De mens en zijn gezondheid Subdomein: Het lichaam als geheel De kandidaat kan
- a. een onderzoek in een biologisch schoolpracticum;
- b. een gedragsonderzoek;
- c. een onderzoek in een veldpracticum;
- d. de verwerking van gegevens naar aanleiding van een bezoek aan een instelling waar biologische processen een belangrijke rol spelen;
- e. een zelfstandige studie van een zelf gekozen biologisch onderwerp, waarbij voor elk gekozen onderdeel geldt dat de kandidaat:
- waarnemingen doet en vastlegt;
- gegevens kan ordenen en overzichtelijk kan weergeven met behulp van bijvoorbeeld tekeningen, tabellen, diagrammen en/of schema's, zo mogelijk met gebruik van de computer, en
- daaruit conclusies kan trekken;
- mondeling of schriftelijk verslag doet, bijvoorbeeld in de vorm van een werkstuk, spreekbeurt, tentoonstelling, of met een computersimulatie van een biologisch proces;
- resultaten kan toelichten en/of verklaren;
- voorspellingen doen over de uitkomst van een experiment;
- practicummaterialen hanteren; (Zoals: microscoop, loep of zelfgemaakte preparaten.)
- verantwoord omgaan met organismen en efficiënt en veilig gebruik maken van materialen en instrumenten;
- enkele technieken uitvoeren; (Zoals: het bepalen van lengte, volume, temperatuur en massa en het toepassen van een voedingsmiddelentabel.)
- experimenten uitvoeren volgens een gegeven voorschrift;
- organismen in de natuur;
- dieren in een dierentuin;
- het ordenen van planten en/of dieren in de directe omgeving op basis van goed waarneembare kenmerken;
- het determineren van organismen tot op het niveau van families of tot op het niveau van goed onderscheidbare hoofdafdelingen;
- het onderzoeken van kenmerken van (delen van) organismen, biotopen of ecosystemen;
- de werking van een rioolzuiveringsinstallatie;
- effecten van voorlichting op het gebied van de gezondheidszorg (voorlichtingsbureau);
- 2 toelichten dat het lichaam als geheel functioneert; (Samenwerking tussen samenstellende delen; evenwicht tussen opbouw en afbraak van de stoffen waaruit het lichaam is opgebouwd.)
- 3 toelichten dat het functioneren van (delen van) het lichaam samenhangt met de manier waarop met het lichaam wordt omgegaan; (Belang van gezonde voeding; belang van ontspanning; belang van voldoende beweging voor het bewegingsapparaat, de ademhaling en het bloedvatenstelsel; gevolgen van stress en overbelasting op hart en bloedvaten en infectieziekten; gevolgen van roken en drinken van alcohol).
- 4 de rol van hormonen, van zenuwcellen, van zintuigen en de manier waarop zij met elkaar samenwerken bij het instandhouden van het lichaam, beschrijven;
- 5 overeenkomsten en verschillen tussen de mens en andere organismen noemen en in relatie brengen met de levenswijze. Subdomein: Stevigheid en beweging De kandidaat kan
- 6 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: delen die van belang zijn voor de stevigheid en beweging benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven; (Botten, spieren, aanhechtingsplaatsen, gewrichten en verbindingen.)
- 7 beschrijven wat er gebeurt bij overbelasting van het bewegingsapparaat. Subdomein: Voeding, stofwisseling en uitscheiding De kandidaat kan
- 8 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de delen waaruit het verteringsstelsel is opgebouwd en de delen die met dit stelsel samenwerken, benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;
- 9 de functie(s) van het verteringsstelsel beschrijven;
- 10 de functie(s) van voeding en voedingsstoffen voor het lichaam beschrijven en de relatie met voedingsadviezen toelichten;
- 11 de relatie tussen de stofwisselingsprocessen in het lichaam en de verschillen in samenstelling tussen ingeademde en uitgeademde lucht toelichten;
- 12 de relatie tussen voedselopname, energieverbruik en lichaamsopbouw in verschillende stadia van de levensloop toelichten;
- 13 voorbeelden noemen van de invloed die reclame, massamedia en cultuur hebben op de voedselkeuze van mensen;
- 14 aan de hand van voorbeelden uitleggen wat er kan gebeuren bij overbelasting van het lichaam met (schadelijke) stoffen; (Alcohol, medicijnen, drugs, tabak en voedseladditieven.)
- 15 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de organen die samenwerken bij het transport, omzetten en verwijderen van afvalstoffen benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking ervan beschrijven. Subdomein: Ademhaling en bloedsomloop De kandidaat kan
- 16 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: lymfevaten, het hart en bloedvaten benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;
- 17 van het bloed, de lymfe en de weefselvloeistof van de mens de samenstellende delen benoemen en de functie(s) van de delen beschrijven;
- 18 verschillende bloedgroepen (incl. rhesusfactor) en de gevolgen van het met elkaar in aanraking komen van bloed van verschillende bloedgroepen noemen;
- 19 een aantal voorbeelden van bloedziekten en infectieziekten die via bloed verspreid worden, noemen en de gevolgen van de ziekten voor het lichaam beschrijven; (Hepatitis, AIDS, leukemie)
- 20 aan de hand van voorbeelden de mogelijke gevolgen van overbelasting door overmatige inspanning en overmatige stress uitleggen; (Hartinfarct, vermindering van de afweer met als gevolg infectieziekten, hartritmestoornissen, hartvergroting.)
- 21 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de delen van het ademhalingsstelsel benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven. Subdomein: Regeling, afstemming en bescherming De kandidaat kan
- 22 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de delen van de zintuigen benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven; (Ogen, oren, zintuigen in de huid.)
- 23 toelichten dat prikkeling van zintuigcellen kan leiden tot bewuste gewaarwording; (Drempelwaarde, adequate prikkel, ontstaan impulsen, bewuste gewaarwording, gewenning, motivatie.)
- 24 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de delen van het zenuwstelsel benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;
- 25 beschrijven wat de functies zijn van reflexen en op welke manier reflexen verlopen; (Terugtrek-strekreflex, kniepeesreflex, pupilreflex.)
- 26 het principe van de werking van hormonen beschrijven;
- 27 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de hormoonklieren benoemen en aanwijzen;
- 28 invloed van de hypofyse op de werking van andere hormoonklieren beschrijven;
- 29 toelichten hoe hormonen invloed hebben op het handhaven van een constante bloedsuikerspiegel; (Invloed van glucagon, insuline en adrenaline.)
- 30 het verband tussen werking van hormonen en het ontstaan van secundaire geslachtskenmerken beschrijven;
- 31 bij zichzelf, bij anderen, bij afbeeldingen of modellen: de samenstellende delen van de huid en onderhuidsbindweefsel benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;
- 32 de rol van de huid en het onderhuidsbindweefsel bij de temperatuur- en vochtregulatie en bij de bescherming tegen infecties en mechanische beschadigingen toelichten. Subdomein: Voortplanting De kandidaat kan
- 33 bij afbeeldingen of modellen de samenstellende delen van de voortplantingsorganen benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;
- 34 het verloop van de menstruatiecyclus beschrijven;
- 35 de ontwikkeling van bevruchte eicel tot foetus en de geboorte beschrijven;
- 36 toelichten dat de beide ouders erfelijke informatie via eicel en spermacel/zaadcel overdragen aan hun kinderen;
- 37 beschrijven dat bij een gewone celdeling het aantal chromosomen constant blijft en bij een reductiedeling halveert;
- 38 toelichten dat geslachtschromosomen invloed hebben op het tot stand komen van het geslacht. Domein C.: Planten, dieren, schimmels en bacteriën Subdomein: Eenheid en verscheidenheid De kandidaat kan
- 39 de Nederlandse naam noemen van plante- en diersoorten die veel in Nederland voorkomen en enkele omstandigheden beschrijven waaronder elk van die soorten gewoonlijk leeft. Subdomein: Cellen, weefsels en organen De kandidaat kan
- 40 de delen waaruit een cel is opgebouwd en de delen waardoor een cel kan zijn omgeven, benoemen en in afbeeldingen of modellen aanwijzen en van deze delen de bouw en de functie(s) beschrijven;
- 41 de verschillen in bouw tussen bacteriën, schimmels, planten en dieren beschrijven;
- 42 kenmerken van losse cellen zonder verband, weefsels en organen noemen;
- 43 toelichten dat zuurstof in cellen wordt opgenomen en koolstofdioxide wordt afgegeven. Subdomein: Gaswisseling bij dieren De kandidaat kan
- 44 beschrijven welke functies longen, kieuwen en tracheeën hebben bij de ademhaling en diergroepen noemen waarbij deze organen voorkomen. Subdomein: Aanpassing bij dieren en planten De kandidaat kan
- 45 enkele kenmerken van de lichaamsbouw van dieren, de wijze van voeden, de aard van het voedsel en de wijze van voortbewegen met elkaar en met kenmerken van de leefomgeving in verband brengen en toelichten;
- 46 aan de hand van voorbeelden uitleggen hoe planten en dieren zijn aangepast aan de biotoop en welke rol ze in die biotoop vervullen. (Klimplanten, voorjaarsbloeiers, rozetvormende planten, waterplanten met drijvende bladeren; bloembezoekende insekten; vorm van de poten in relatie tot de kenmerken van de bodem bij zoogdieren en vogels.) Subdomein: Zaadplanten De kandidaat kan
- 47 de delen waaruit zaadplanten zijn opgebouwd tekenen, benoemen en aanwijzen en van deze delen de bouw en de functie(s) beschrijven;
- 48 van enkele typen weefsels in planten de bouw en de functie(s) beschrijven;
- 49 verschillende stadia in de levenscyclus van zaadplanten met geslachtelijke voortplanting noemen en de functie(s) beschrijven. Subdomein: Energievastlegging De kandidaat kan
- 50 beschrijven dat planten met hun bladgroen glucose en zuurstof maken, waarbij lichtenergie wordt vastgelegd, welke stoffen daarbij worden verbruikt en hoe planten deze stoffen opnemen;
- 51 planten noemen die energierijke stoffen maken uit onder andere glucose en de plaats noemen waar ze energierijke stoffen opslaan. Subdomein: Rol van micro-organismen De kandidaat kan
- 52 aan de hand van enkele voorbeelden beschrijven wat de rol is van bacteriën en schimmels als reducent;
- 53 aan de hand van enkele voorbeelden beschrijven wat de rol is van bacteriën en schimmels als ziekteverwekker;
- 54 toelichten welke rol bacteriën en schimmels spelen bij de bereiding van melkprodukten en alcoholische dranken;
- 55 toelichten hoe voedselbederf onder invloed van schimmels en bacteriën kan worden tegengegaan door de mens. Domein D.: Levensgemeenschappen Subdomein: Afhankelijkheid De kandidaat kan
- 56 toelichten welke relaties er zijn tussen bacteriën, schimmels, planten en dieren bij de energiestromen in een ecosysteem;
- 57 toelichten welke rol koolstof- en stikstofkringlopen spelen bij de opname van zouten en energierijke stoffen;
- 58 toelichten dat bij plante- en diersoorten die een voedselketen en een piramide van biomassa vormen, producenten en consumenten zijn te onderscheiden;
- 59 toelichten dat populaties in een ecosysteem afhankelijk zijn van verschillende biotische en abiotische factoren en onder invloed van deze factoren kunnen veranderen. Domein E.: Mensen in hun omgeving Subdomein: Afhankelijkheid De kandidaat kan
- 60 toelichten dat de mens voor voedsel, water, lucht, grondstoffen, energie en recreatie van ecosystemen afhankelijk is. Subdomein: Landbouw De kandidaat kan
- 61 toelichten dat een grotere voedselproduktie ontstaat door planten en dieren optimaal voedingsstoffen te geven, door de gewassen te beschermen, door de bodem te bewerken en door veredeling;
- 62 principes, werkwijzen en effecten van verschillende landbouwmethoden beschrijven en maatregelen noemen die kunnen worden getroffen om een duurzame relatie tussen mens en milieu te waarborgen;
- 63 aan de hand van voorbeelden uitleggen hoe biotechnologie invloed heeft op de manier waarop voedingsstoffen worden verkregen en bewerkt. Subdomein: Milieuvervuiling en natuurbeheer De kandidaat kan
- 64 de belangrijkste oorzaken noemen en effecten beschrijven van de aantasting van natuur en milieu door overbevolking, door bepaalde vormen van afval, door het gebruik van bestrijdingsmiddelen, door verkeer en door energiegebruik;
- 65 maatregelen tegen aantasting van het milieu en ter bescherming van natuur en landschap noemen en effecten daarvan toelichten. Domein F.: Erfelijkheid bij organismen De kandidaat kan
- 66 bij monohybride kruisingen conclusies trekken uit gegevens over het genotype en fenotype van ouders en/of hun directe nakomelingen;
- 67 toelichten dat mutaties en selectie kunnen leiden tot het ontstaan van nieuwe rassen en soorten in de loop van de tijd;
- 68 toelichten dat onder andere bepaalde stoffen en straling invloed kunnen hebben op de frequentie waarmee mutaties ontstaan. Domein G.: Gedrag Subdomein: Mechanismen De kandidaat kan
- 69 toelichten dat gedrag bestaat uit een reeks samenhangende handelingen;
- 70 bij concrete voorbeelden uitleggen dat het gedrag afhankelijk is van prikkels en motiverende factoren. Subdomein: Sociaal gedrag De kandidaat kan
- 71 toelichten dat sociaal gedrag met rolpatronen bij dieren en de mens voorkomt en dat het gedrag meestal niet door een enkele oorzaak wordt bewerkstelligd;
- 72 toelichten dat bij gedrag van de mens normen en waarden een rol spelen;
- 73 aan de hand van voorbeelden typen van sociaal gedrag beschrijven;
- 74 verschillende vormen van seksueel gedrag bij mensen en verschillende opvattingen daarover noemen;
- 75 de meest voorkomende seksueel overdraagbare aandoeningen en hun verschijningsvormen noemen en toelichten hoe de overdracht van deze aandoeningen is te voorkomen.