Bijlage 6 Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Examenprogramma SCHEIKUNDE eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt. 2. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen met uitzondering van het domein A Practicum (eindterm 1) voor zover die betrekking heeft op het daadwerkelijk uitvoeren van het practicum, en de daarmee verbonden vaardigheid 2. Eveneens uitgezonderd is vaardigheid 5 voor zover die betrekking heeft op het daadwerkelijk werken met de computer. Bij het centraal examen kunnen dus wel vragen worden gesteld en opdrachten gegeven naar aanleiding van beschreven practicum- en computeractiviteiten. De vragen en opdrachten in het centraal examen worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd. 3. Het schoolonderzoek Het schoolonderzoek heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. De vragen en opdrachten in het schoolonderzoek worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd. Aanwijzingen C en D Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen, zij het dat voor C de eindtermen 30, 33, 43, 55, 59, 60, 62, 64, 65, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 87, 88, 90, 91, 92 en 93 zijn uitgezonderd. Bovendien zijn van de hierna volgende eindtermen de daarachter vermelde gedeelten van de specificaties niet voor C van toepassing: domein nr. eindterm/specificatie D. Bouw van de materie 28 isotopen; gemiddelde atoommassa E. Stoffen: soorten, bouw, formules 44 formule stof → hoeveelheid stof waarin een bepaalde hoeveelheid van een atoomsoort voorkomt massapercentage van een atoomsoort → hoeveelheid stof waarin een bepaalde hoeveelheid van een atoomsoort voorkomt (bijvoorbeeld hoeveel erts nodig is om een bepaalde hoeveelheid metaal te ver
- 1. verbanden leggen tussen scheikundige begrippen, regels en wetten;
- 2. eenvoudige experimenten voorbereiden en uitvoeren, zoals aangegeven is in domein A;
- 3. natuurwetenschappelijke vaktaal hanteren:
- algemeen voorkomende natuurwetenschappelijke grootheden, eenheden en relaties hanteren;
- stoffen en reacties beschrijven met scheikundige nomenclatuur en formuletaal;
- scheikundige rekenmethodes toepassen bij stoffen en reacties.
- 4. informatiebronnen kiezen en uit beschikbare gegevens informatie selecteren en toepassen en daarbij onderscheid maken tussen feiten en meningen;
- 5. de computer gebruiken bij het verzamelen of verwerken van gegevens of het inzichtelijk maken van processen;
- 6. een relatie leggen tussen scheikundige kennis en vaardigheden en de praktijk van verschillende beroepen;
- 7. praktische toepassingen en maatschappelijke effecten benoemen van scheikundige kennis en vaardigheden, in verschillende maatschappelijke situaties;
- 8. in keuzesituaties:
- relevante scheikundige en maatschappelijke informatie verzamelen;
- verschillende gedragsmogelijkheden noemen;
- argumenten voor eigen mening geven.
- 1 eenvoudige experimenten voorbereiden en uitvoeren: Domein B.: Stoffen, in en om het huis Subdomein: water De kandidaat kan
- a. experimenten ontwerpen om een eenvoudige probleemstelling te onderzoeken;
- mengsels scheiden door middel van filtreren, indampen en adsorberen
- (verschil in) elektrische geleiding kwalitatief nagaan
- al dan niet oplosbaar zijn nagaan
- aanwezigheid van CO2, H2O en O2 nagaan
- (verschil in) zuurgraad nagaan
- aanwezigheid van bepaalde ionen met behulp van een oplosbaarheidstabel nagaan
- b. voorspellingen doen over de uitkomst van een proef;
- c. practicummaterialen hanteren;
- bekerglas, brander, driepoot, druppelpipet, erlenmeyer, gaasje, horlogeglas, injectiespuit, kolf, kroesje, kroezentang, maatcylinder, reageerbuis, reageerbuisknijper, spatel, spuitfles, statief, thermometer, trechter
- d. bij het uitvoeren van experimenten efficiënt en veilig gebruik maken van practicummaterialen en chemicaliën;
- schoon materiaal gebruiken
- juiste hoeveelheden gebruiken
- veiligheidsbril dragen
- juist gebruik brander
- correct verwarmen
- reageerbuis niet op een ander richten
- bij schenken etiket op flessen naar boven
- stoppen op flessen doen
- voorzichtig schudden van vloeistof
- afnemen gemorste chemicaliën
- zorgvuldig omgaan met afval
- e. enkele technieken uitvoeren;
- adsorptie met norit
- elekrolyseren
- filtreren
- gas boven water opvangen
- indampen
- nagaan of een oplossing stroom geleidt
- oplossen
- pH bepalen met universeelindicatorpapier
- titreren
- verwarmen
- wegen
- mengen, o.a. met behulp van een emulgator
- f. enkele aantoningsreacties uitvoeren;
- CO2 met kalkwater
- H2O met wit kopersulfaat
- O2 met een gloeiende houtspaander
- aanwezigheid van zuren en basen met lakmoes, fenolftaleïen en universeelindicatorpapier
- mogelijke aanwezigheid van bepaalde ionen met behulp van gegevens uit een oplosbaarheidstabel
- g. experimenten en bepalingen uitvoeren volgens een gegeven voorschrift;
- h. relevante waarnemingen doen;
- emulsie en suspensie
- fase-overgangen
- gasontwikkeling
- geur
- kleur en kleurverandering
- neerslag (ontstaan en verdwijnen)
- oplossen
- stroomgeleiding
- warmte-effect
- i. experimentele gegevens ordenen, overzichtelijk weergeven en er conclusies uit trekken;
- diagrammen, schema's, tabellen, tekeningen (ook van een opstelling), waarnemingen
- j. mondeling of schriftelijk verslag doen van zelf uitgevoerde experimenten en resultaten van zelf uitgevoerde experimenten toelichten en/of verklaren.
- 2 schriftelijk of mondeling weergeven wat het verschil is tussen hard en zacht water, nadelen van het gebruik van hard water noemen en manieren noemen om water te ontharden;
- verschil: hoeveelheid aanwezige Ca²+ en/of Mg²+ ionen
- nadelen: ketelsteen, kalkaanslag, kalkzeep (ontkalking van apparaten)
- manieren om te ontharden: koken, neerslagreactie uitvoeren, ionenwisselaar toevoegen
- 3 de betekenis en functie van het gebruik van water als oplosmiddel, als spoelmiddel en als middel bij de bereiding van voedsel beschrijven. Subdomein: reinigingsmiddelen en andere stoffen De kandidaat kan
- oplosbaarheid van krijt, suiker, keukenzout, olie, vet, alcohol, zuurstof, ammoniak en waterstof
- spoelmiddel bij gebruik van zeep en wasmiddelen
- 4 zeggen dat zeep en wasmiddelen vetachtige stoffen oplossen;
- wasactieve deeltjes, hydrofiele kop, hydrofobe staart
- 5 zure en basische reinigingsmiddelen noemen;
- zuur: azijn, mierezuur, zoutzuur, ontkalkingsmiddelen
- basisch: soda, loog, ammonia, bleekwater, gootsteenontstopper
- 6 een aantal oplosmiddelen en hun toepassing noemen;
- alcohol: cosmetica
- aceton: nagellak
- wasbenzine: vet
- 7 voorbeelden en kenmerken van kosmetische produkten (met reinigende werking) noemen en beschrijven hoe zo'n kosmetisch produkt kan worden bereid. Subdomein: metalen De kandidaat kan
- (reinigings)crème of -melk: emulsie van water in olie of olie in water
- tandpasta: slijpmiddel (bijvoorbeeld krijt)
- zeep
- 8 eigenschappen van metalen noemen, het verschil tussen edele en onedele metalen beschrijven en van een aantal metalen zeggen of ze edel of onedel zijn;
- glanzend uiterlijk, geleiding van warmte en elektriciteit, vervormbaarheid
- corrosie, etsen, roesten
- edel: goud, zilver, platina
- onedel: natrium en calcium (reactie met water), aluminium, ijzer, zink, lood, magnesium, chroom
- 9 uitleggen waarom bij bepaalde onedele metalen nauwelijks corrosie optreedt en zeggen dat aantasting van (andere) metalen kan worden tegengaan door het metaal ergens mee te bedekken;
- oxidehuidje
- verf, vet, glas (email), teer, ander metaal (verchromen, blik, gegalvaniseerd ijzer)
- 10 zeggen wat een legering is en van een aantal voorbeelden van legeringen de samenstellende bestanddelen noemen;
- brons: tin en koper
- amalgaam: kwik en ander metaal
- messing: koper en zink
- soldeer: lood en tin
- 11 toepassingen noemen van een aantal metalen en legeringen;
- aluminium: vliegtuigbouw, kozijnen, huishoudelijke artikelen
- ijzer: velerlei, waaronder staal
- koper: waterleidingbuis, elektriciteitsdraad
- lood: verzwaring, accu's, daklood
- magnesium: vliegtuigbouw
- nikkel: munten
- zink: dakgoot
- goud: sieraden
- brons: beelden, munten, kerkklokken
- zilveramalgaam: tandvulling
- messing: siervoorwerpen, muziekinstrumenten
- 12 zeggen wat ‘zware’ metalen zijn en van enige zware metalen (lood, kwik), zeggen dat ze als zodanig of in verbindingen giftig zijn. Subdomein: kunststoffen De kandidaat kan
- 13 zeggen dat polymeren stoffen zijn met zeer grote molekulen, die gevormd worden door aaneenschakeling van een groot aantal kleine molekulen;
- macromolekulen
- plastics
- monomeren
- thermoplasten en thermoharders (gedrag bij verwarmen, structuur)
- 14 voordelen noemen van het toepassen van polymeren op allerlei terreinen. Subdomein: milieu en veiligheid bij de omgang met stoffen De kandidaat kan
- gunstige prijs
- eenvoudige manier van verwerken (vorm, kleur)
- grote variatie in mogelijke eigenschappen (geen aantasting door chemicaliën, isolerende werking, variatie in hardheid, elastisch gedrag, buigzaamheid, sterkte, doorzichtigheid)
- 15 zeggen welke gevaren het gebruik van bepaalde stoffen met zich meebrengt, hoe deze gevaren kunnen worden aangegeven en hoe deze gevaren zijn tegen te gaan;
- agressiviteit van bleekwater, gootsteenontstopper en accuzuur
- aantasting van huid en slijmvliezen door zuren en basen
- brandbaarheid van aardgas, benzine en spiritus
- giftigheid van huishoudchemicaliën
- pictogrammen (licht ontvlambaar, giftig, schadelijk en/of prikkelend, bijtend, explosief)
- dragen beschermingsmiddelen (bril, handschoenen) bij omgaan met zuren en basen
- spoelen met water bij aantasting van huid of slijmvliezen door zuren en basen
- 16 beschrijven wat de gevolgen zijn voor het milieu van lozing en verwerking van (afval)stoffen en een aantal manieren noemen om verantwoord met afval om te gaan;
- lozing van zure stoffen: zure regen, pH en levensprocessen in grond, water en lucht (zie 72)
- ontzurende werking van kalk in grond, aantasting kalksteen
- thermische verontreiniging van water
- gescheiden inzamelen van glas, batterijen, verfresten, afgewerkte olie, overtollige geneesmiddelen
- 17 beschrijven wat de gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn van de verbranding van brandstoffen en uitleggen dat deze gevolgen ook elders en in de toekomst merkbaar zijn. Domein C.: Produktie van stoffen Subdomein: drinkwater De kandidaat kan
- SO2: luchtverontreiniging, zure regen
- NO en NO2: zure regen
- CO2: broeikaseffect
- 18 verschillen en overeenkomsten tussen drinkwater, zeewater, regenwater, oppervlaktewater en grondwater noemen;
- 19 toelichten waarom bij drinkwaterbereiding water gezuiverd moet worden, welke methoden daarbij gebruikt worden en wat de functie van elke zuiveringsmethode is. Subdomein: metalen De kandidaat kan
- 20 zeggen dat de meeste metalen bereid worden uit verbindingen die in de natuur voorkomen;
- erts
- 21 enkele bereidingsprocessen van metalen beschrijven. Subdomein: aardolieprodukten De kandidaat kan
- reactie van het oxide met koolstof of koolstofmono-oxide (koper, ijzer in hoogovens)
- elektrolyse (onedele metalen)
- 22 zeggen dat aardolie in raffinaderijen bewerkt wordt tot allerlei soorten brandstoffen en andere produkten;
- samenstelling aardolie (koolwaterstoffen, zwavelverbindingen)
- ontzwavelen van brandstoffen uit aardolie
- fracties, kooktrajecten
- verband kooktraject en molekuulgrootte
- kraken van aardolie (onverzadigde verbindingen)
- brandstoffen: LPG, benzine, petroleum, dieselolie, stookolie
- andere produkten: plastics, kaarsen, smeerolie, asfalt
- 23 zeggen dat onverzadigde verbindingen kunnen polymeriseren tot kunststoffen. Subdomein: andere stoffen De kandidaat kan
- 24 zeggen dat koolstofdioxide en water door planten onder invloed van licht kunnen worden omgezet in (of reageren tot) glucose en zuurstof;
- fotosynthese
- 25 zeggen dat wijn en bier kunnen worden verkregen door omzetting van glucose in alcohol en koolstofdioxide. Domein D.: Bouw van de materie De kandidaat kan
- vergisting
- 26 zeggen dat stoffen uit molekulen, atomen of ionen zijn opgebouwd;
- 27 zeggen dat molekulen zijn opgebouwd uit atomen;
- molekulen trekken elkaar aan
- molekulen gaan sneller bewegen hij hogere temperatuur
- 28 de bouw van een atoom beschrijven met behulp van protonen, neutronen, elektronen en hun plaats in dat atoom;
- notatie van een elektron: e
- kern
- elektronenwolk
- atoomnummer
- massa en lading van een neutron, proton en elektron
- element is atoomsoort
- kernlading
- atoommassa
- isotopen
- gemiddelde atoommassa
- 29 zeggen dat er ongeveer 100 atoomsoorten zijn en de symbolen en namen geven van een aantal atoomsoorten;
- Ag, Al, Ba, Br, C, Ca, Cd, Cl, Cr, Cu, F, Fe, H, He, Hg, I, K, Mg, N, Na, Ne, O, P, Pb, S, Si, Sn, Zn
- 30 zeggen hoe in het Periodiek Systeem de atoomsoorten gerangschikt zijn;
- periode
- groep
- namen groep 17 en 18
- valentie atoomsoorten groep 1, 2, 16 en 17
- 31 zeggen dat bij het opnemen van elektronen negatieve, en bij het afstaan van elektronen positieve ionen ontstaan;
- 32 de notaties en namen van een aantal ionen geven;
- Ag+, Al³+, Ba²+, Ca²+, Cu²+, Fe³+, Fe²+, H+, K+, Na+, NH4+, Mg²+, Pb²+, Sn²+, Zn²+, Br¯, CO32-¯, Cl¯, F¯, I¯, O2¯, OH¯, NO3¯, PO4³¯, S²¯, SO4²¯
- 33 het verband aangeven tussen de kernlading, het aantal elektronen en de ionlading;
- 34 met behulp van molekulen, atomen en ionen een aantal begrippen en processen beschrijven. Domein E.: Stoffen: soorten, bouw en formules Subdomein: algemeen De kandidaat kan
- toestand van een stof (s, l, g, aq)
- zuivere stof
- mengsel
- scheiden van mengsels
- molekuulmassa
- niet ontleedbare stof
- ontleedbare stof (verbinding)
- chemische reacties
- atoombinding
- structuurformule (aantal atoombindingen bij C, H, F, Cl, Br en I)
- ionbinding