Bijlage 5 Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Examenprogramma NATUURKUNDE eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt. 2. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen (met inachtneming van de daarbij aangegeven uitsluitingen tot een nader te bepalen datum) met uitzondering van de eindterm van het domein A Practicum (eindterm 1) voor zover die betrekking heeft op het daadwerkelijk uitvoeren van het practicum en de daarmee verbonden vaardigheid 2. Eveneens uitgezonderd is vaardigheid 5 voor zover die betrekking heeft op het daadwerkelijk werken met de computer. Bij het centraal examen kunnen dus wel vragen worden gesteld en opdrachten gegeven naar aanleiding van beschreven practicum- en computeractiviteiten. De vragen en opdrachten in het centraal examen worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd. 3. Het schoolonderzoek Het schoolonderzoek heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen (met inachtneming van de daarbij aangegeven uitsluitingen tot een nader te bepalen datum). De eindterm van het domein A Practicum (eindterm 1) en de daarmee verbonden vaardigheid 2 kunnen geheel of ten dele vervallen. In dat geval omvat het schoolonderzoek ter vervanging in elk geval een andere activiteit waarin de actieve en praktische zelfwerkzaamheid van de kandidaat op de voorgrond staat en waarbij zoveel als mogelijk wordt voldaan aan de eindterm 1 en vaardigheid 2 (bij voorbeeld: zelfstandige bestudering van een speciaal onderwerp, het maken van een werkstuk, studiebezoek met rapportage daarvan). De vragen en opdrachten in het schoolonderzoek worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd. Aanwijzingen C en D Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreve
- 1. verbanden leggen tussen natuurkundige begrippen, regels en wetten;
- 2. eenvoudige natuurkundige experimenten voorbereiden en uitvoeren zoals aangegeven in domein A;
- 3. natuurwetenschappelijke vaktaal hanteren (algemeen voorkomende natuurwetenschappelijke grootheden; eenheden en relaties); natuurkundige berekeningen uitvoeren met bekende grootheden en relaties, en daarbij de juiste symbolen en eenheden hanteren;
- 4. informatiebronnen kiezen, uit beschikbare gegevens informatie selecteren en toepassen, en daarbij onderscheid maken tussen feiten en meningen;
- 5. de computer gebruiken bij het verzamelen of verwerken van gegevens of het inzichtelijk maken van processen;
- 6. een relatie leggen tussen natuurkundige kennis en vaardigheden en de praktijk van verschillende beroepen;
- 7. praktische toepassingen en maatschappelijke effecten benoemen van natuurkundige kennis en vaardigheden in verschillende maatschappelijke situaties;
- 8. in keuzesituaties:
- relevante natuurkundige en maatschappelijke informatie verzamelen;
- natuurkundige argumenten voor en tegen verschillende standpunten noemen;
- argumentatie voor een mening geven.
- 1 eenvoudige experimenten voorbereiden en uitvoeren: Domein B.: Stoffen en materialen in huis Subdomein: gebruik van materialen De kandidaat kan
- a. proeven ontwerpen om een eenvoudige probleemstelling te onderzoeken; (Zoals de bepaling van: spanning, stroom en weerstand; verband tussen magnetisme en elektrische stroom; snelheid, afstand en versnelling; de valversnelling; krachten; het drijfvermogen; geluids-sterkte; frequentie; stol-/smelt- en kookpunt; warmtegeleiding en isolatie; soortelijke warmte; warmtecapaciteit; het rendement; het spiegelbeeld; voorwerps-, beeld- en brandpuntsafstand; volume, massa en dichtheid [zie ook eindtermen 10, 11, 12, 13, 34, 37, 41, 45, 59, 63 en 64]).
- b. voorspellingen doen over de uitkomst van een proef;
- c. practicummaterialen hanteren; (Zoals brander, driepoot, gaasje, elektrische kookplaat, elektrische dompelaar, warmtemeter, erlenmeyer, maatcilinder, bekerglas, reageerbuis, reageerbuisknijper, statief, thermometer, barometer, manometer, pipet en hevel, stemvork, toongenerator, oscilloscoop, geluidssterktemeter, balans, massadoos, krachtmeter, liniaal, bimetaal, stopwatch (tijdklok), tijdtikker, luchtkussenbaan, vaste katrol, (dikke) glasplaat, vlakke spiegel, lenzen, optische bank, accu, batterij, zonnecel, metaaldraad, koolweerstand, gloeilamp, L.D.R.- en N.T.C.-weerstand, schuifweerstand, potentiometer, stroom en spanningsmeter, kWh-meter, kompas, div. magneten, elektromagneet, relais, luidspreker en microfoon.)
- d. bij het uitvoeren van proeven efficiënt en veilig gebruik maken van practicummaterialen; (Door o.a.:
- schoon materiaal gebruiken;
- veiligheidsbril dragen;
- juist gebruik brander, gaasje en driepoot;
- correct verwarmen;
- zorgvuldig omgaan met afval.)
- e. enkele technieken uitvoeren; (Zoals verwarmen; wegen; meten; schatten.)
- f. proeven uitvoeren volgens een gegeven voorschrift; (Zoals elektrische schema's; tekeningen; beschrijvingen.)
- g. relevante waarnemingen doen; (Over onder andere:
- spanning, stroom en weerstand;
- snelheid, afstand en versnelling;
- geluidssterkte, frequentie;
- fase-overgangen;
- warmte-uitwisseling;
- voorwerps-, beeld en brandpuntsafstand.)
- h. experimentele gegevens ordenen, overzichtelijk weergeven en er conclusies uit trekken (waar mogelijk per computer); (Zoals in diagrammen; schema's; tabellen; tekeningen [ook van een opstelling]; waarnemingen.)
- i. mondeling of schriftelijk verslag doen van zelf uitgevoerde experimenten;
- j. resultaten van zelf uitgevoerde proeven toelichten en/of verklaren.
- 2 een verband leggen tussen soorten materialen, hun eigenschappen en praktische toepassingen; (Dichtheid; warmtegeleiding; fasen en fase-verandering.)
- 3 uitleggen hoe door materiaalkeuze rekening kan worden gehouden met effecten voor het milieu; (Zuinig met grondstoffen; afvalverwerking; recycling.)
- 4 uitleggen wanneer een voorwerp zinkt, zweeft of drijft. (Dichtheid; wet van Archimedes.) Domein C: Elektrische energie in huis Subdomein: schakelingen De kandidaat kan
- 5 in elektrische schakelingen de componenten naar aard en functie onderscheiden; (Het schakelen van elektrische stromen in huis [huisinstallatie], elektrisch circuit van voertuigen [bijv. auto, fiets]).
- 6 eigenschappen van elektrische stromen verklaren m.b.t. richting, sterkte, warmteontwikkeling, chemische werking en magnetische werking;
- 7 het principe van een gesloten stroomkring toepassen in serie- en parallelschakelingen;
- 8 uitleggen hoe een stroomkring beveiligd kan worden en op welk principe de beveiliging berust; (Smeltveiligheid; aardlekschakelaar; randaarde; elektrische [‘dubbele’] isolatie; zwakstroomvoorzieningen.)
- 9 onderscheid maken tussen geleiders en isolatoren en deze begrippen toepassen; (Vrije elektronen.)
- 10 schema's maken en gebruiken bij het bouwen van schakelingen en bij het oplossen van probleemstellingen; (Spanningsbron; metaaldraad; koolweerstand; gloeilamp; N.T.C; L.D.R; spanningsmeter; stroommeter; schakelaar.)
- 11 (I, U)-diagrammen maken en interpreteren;
- 12 in serie- en parallelschakelingen een relatie leggen tussen spanning en stroom, zowel kwantitatief als kwalitatief. (Weerstand afhankelijk van lengte, doorsnede, soort stof en temperatuur; wet van Ohm; vervangingsweerstand; variabele weerstand; potentiometer; stroomvertakking; spanningsdeling.) Subdomein: energiegebruik De kandidaat kan
- 13 de factoren noemen waarvan het energiegebruik in huis afhangt; het totale energiegebruik van elektrische apparaten alsmede de energiekosten berekenen; (Vermogen; kWh-meter)
- 14 beschrijven hoe elektrische energie wordt opgewekt in een (fiets)dynamo; (Magnetisme [noordpool, zuidpool, magnetisch veld]; spoel; weekijzer; inductie; wisselspanning.)
- 15 de werking van een transformator uitleggen en kunnen toepassen in apparaten en bij elektriciteitstransport; (Verband tussen spanning en stroom; spoel; weekijzer; inductie.)
- 16 een beargumenteerde keuze maken uit gelijksoortige elektrische apparaten ten aanzien van energiegebruik, veiligheid en milieu-effecten; (Vermogen; spaarlampen; recycling.) Domein D.: Verwarmen en verbranden Subdomein: processen De kandidaat kan
- 17 het verband tussen temperatuur en tijd en temperatuur en warmte verklaren; (Thermometer; gasbrander; elektrische kookplaat; elektrische dompelaar.)
- 18 uitleggen hoe de verspreiding van warmte van verwarmingstoestellen plaatsvindt. (Geleiding, stroming en straling; kachel, c.v., radiatoren, vloer- en heteluchtverwarming; verbrandingswarmte.) Subdomein: maatregelen en effecten De kandidaat kan
- 19 de werking van warmte-isolerende maatregelen verklaren; (Stilstaande lucht; thermosfles).
- 20 bij warmte-uitwisseling de energiebalans toepassen, zowel kwantitatief als kwalitatief; (Wet van behoud van energie; soortelijke warmte; warmtecapaciteit; smelt- en stollingswarmte; verdampings- en condensatiewarmte; warmtemeter).
- 21 toelichten dat de ene energievorm omgezet kan worden in een andere energievorm; (Wet van behoud van energie; bewegings-, zwaarte-, warmte-, elektrische-, chemische-, stralings-, kernenergie; rendement.)
- 22 de milieu- en gezondheidseffecten noemen die kunnen optreden als gevolg van overvloedig energiegebruik. Subdomein: energiebronnen De kandidaat kan
- 23 beschrijven op welke wijze elektrische energie op grote schaal wordt opgewekt en gedistribueerd;
- 24 voor- en nadelen noemen van het gebruik van verschillende energiebronnen. (Aardgas, steenkool, aardolie, kernenergie, windenergie, waterkracht, aardwarmte, getijdenenergie en biogas). Domein E.: Licht en beeld Subdomein: licht zien De kandidaat kan
- 25 beschrijven hoe licht door een vlakke spiegel wordt teruggekaatst; (Wetten van terugkaatsing; virtueel beeld.)
- 26 beschrijven hoe bij het zien, lichtbundels van een directe of indirecte lichtbron in het oog vallen; (Rechtlijnigheid van licht; evenwijdige-, convergerende- en divergente lichtbundels; schaduwvorming.)
- 27 de zichtbare kleuren van het licht noemen; (Rood, oranje, geel, groen, blauw, violet.)
- 28 toelichten dat licht een vorm van straling is en vormen van straling noemen waarvoor het oog niet gevoelig is; (Ultraviolet en infrarood.)
- 29 beschrijven welke optische verschijnselen optreden als licht door een doorschijnend voorwerp valt; (Kleurschifting, breking, dikke glasplaat, lens en prisma.)
- 30 beschrijven welke optische verschijnselen optreden als licht op een gekleurd voorwerp valt. (Spiegelende en diffusie terugkaatsing; absorptie.) Subdomein: beeldvorming De kandidaat kan
- 31 beschrijven op welke wijze beeldvorming plaats-vindt bij een positieve lens; (Fototoestel, dia-, overheadprojector; loep.)
- 32 uitgaande van een reëel voorwerp bij een bolle lens het beeld construeren door gebruik te maken van de constructiestralen;
- 33 de divergerende werking van een negatieve lens uitleggen;
- 34 berekeningen maken met meetresultaten uit een optische opstelling over voorwerps-, beeld-, brandpuntsafstand en vergroting; (Optische bank; lenzenformule; vergrotingsformule.)
- 35 verband leggen tussen brandpuntsafstand en convergerende werking;
- 36 beeldvorming toepassen bij het menselijk oog. (Bijziendheid, verziendheid; accommodatie.) Domein F.: Geluid horen en maken Subdomein: spraak en muziek De kandidaat kan
- 37 de waarneming, het transport en de produktie van geluid met behulp van natuurkundige begrippen uitleggen en toelichten met behulp van proefopstellingen; (Geluidsbronnen; frequentie; trillingstijd; toonhoogte; amplitude; stemvork; muziekinstrumenten [slag, snaar, blaas]; toongenerator; oscilloscoop.)
- 38 de verandering van de toonhoogte van een snaarinstrument in verband brengen met de lengte en de spanning van de snaar;
- 39 uitleggen dat geluid zich uitbreidt door een tussenstof van de bron naar de ontvanger met een specifieke geluidssneldheid; hierbij voorbeelden en toepassingen noemen en berekeningen uitvoeren; (Geluidssnelheid; echo en echolood.)
- 40 gegevens interpreteren over het frequentiebereik van het menselijk gehoor en opname- en weergavekarakteristieken van geluidsapparatuur. (Trommelvlies; gehoordrempel; pijngrens.) Subdomein: geluidshinder De kandidaat kan
- 41 geluidssterkte meten en bronnen van geluidshinder aangeven; (Amplitude; geluidsstrektemeter.)
- 42 de mogelijke gezondheidsschade in verband brengen met de geluidssterkte en de afstand en suggesties doen voor maatregelen tegen geluidshinder; (Geluidswal, geluidsscherm en gehoorbeschermers.) Subdomein: opnemen en weergeven van geluid De kandidaat kan
- 43 kennis over elektriciteit en magnetisme toepassen om uit te leggen hoe van een elektrisch signaal een geluidssignaal kan worden gemaakt en omgekeerd; (Elektromagneet; luidspreker; microfoon.) Domein G.: Krachten en veiligheid Subdomein: soorten en eigenschappen De kandidaat kan
- 44 verschillende soorten krachten onderscheiden en hiervan de uitwerking en toepassing beschrijven; (Spierkracht, veerkracht, zwaartekracht, wrijvingskracht, magnetische kracht, elektrische kracht; grootte en richting; veerunster.)
- 45 *. het principe van een vaste katrol verklaren en toepassen;
- 46 een kracht weergeven als een vector en hiermee krachten samenstellen en ontbinden; (Reactie-, normaal- en spankracht.)
- 47 *. de relatie tussen kracht en oppervlakte gebruiken om de druk te berekenen; (Schaats, zaag, schaar, sneeuwschoen, rupsband, fundering, etc.)
- 48 *. het begrip vloeistofdruk verklaren en toepassen; (Wet van Pascal; hydraulische remmen; hefwerktuigen; persen.)
- 49 *. toepassingen van hefbomen (in evenwicht) noemen en het nut verklaren; (Momentenwet.)
- 50 *. de begrippen arbeid en vermogen toepassen bij werktuigen; (Formules voor arbeid en vermogen; potentiële energie.)
- 51 *. de ligging van het massamiddelpunt bij een homogene balk en staaf bepalen en weten dat in dat punt de zwaartekracht aangrijpt. Subdomein: verkeer en veiligheid De kandidaat kan
- 52 berekeningen maken over de snelheid en de afgelegde weg van rijdende voertuigen; (Eenparige rechtlijnige beweging; formules voor snelheid en afgelegde weg.)
- 53 berekeningen maken bij een eenparige cirkelbeweging; (Omtreksnelheid; toerental; overbrengingen.)
- 54 de relatie tussen massa en versnelling gebruiken om de kracht te berekenen;
- 55 de krachten noemen die een rol spelen bij een rijdend voertuig; (Aandrijfkracht; lucht- en rolweerstand.)
- 56 de factoren noemen die een rol spelen bij het versnellen en in verband hiermee berekeningen maken met de afgelegde weg, versnelling, tijd en de snelheidstoename; (Formules voor snelheid en afgelegde weg; kinetische energie; gemiddelde snelheid.)
- 57 de factoren noemen die een rol spelen bij het vertragen en in verband hiermee berekeningen maken met de remweg, remtijdvertraging, reactietijd en snelheidsafname; (Formules voor snelheid en afgelegde weg; kinetische energie; gemiddelde snelheid.)
- 58 de factoren noemen die een rol spelen bij een vrije val en in verband hiermee berekeningen maken met de valhoogte, valtijd en de snelheid; (Formules voor snelheid en valhoogte; wet van behoud van energie; potentiële energie; kinetische energie.)
- 59 (s, t)- en (v, t)-diagrammen maken en interpreteren;
- 60 het traagheidsbeginsel toepassen bij een rechtlijnige beweging met constante snelheid en verschijnselen van traagheid verklaren die zich bij snelheidsverandering voordoen;
- 61 bij botsen beschrijven hoe de optredende effecten kunnen worden beïnvloed; (Veiligheidsgordel; veiligheidshelm; kreukelzone; hoofdsteun.)
- 62 beschrijven welke effecten de rij-omstandigheden hebben op de veiligheid, zowel kwantitatief als kwalitatief. (Reactietijd, rijsnelheid, staat van de banden en het wegdek.) Domein H.: Het weer Subdomein: temperatuur en luchtdruk De kandidaat kan
- 63 de temperatuur meten en de werking van een thermometer verklaren; (Vloeistofthermometer; bimetaalthermometer; absolute temperatuur; relatie tussen de schalen van Celsius en Kelvin.)
- 64 luchtdruk meten en de luchtdruk in verband brengen met de hoogte; (Druk, luchtdruk, gasdruk, onderdruk, overdruk, absolute druk; barometer, manometer.) Subdomein: verschijnselen in de vrije natuur De kandidaat kan
- 65 *. het ontstaan van wolken en neerslag beschrijven met behulp van fasen en fase-overgangen; (Regen, hagel, sneeuw, ijs, rijp, condens, luchtdruk-[verschil], dauwpunt.)
- 66 *. het verschijnsel bliksem verklaren uit een elektrisch spanningsverschil tussen de aarde en de onderkant van wolken of tussen wolken onderling en uit de stroomsterkte (ontlading) door de lucht;
- 67 *. maatschappelijke aspecten en aspecten van veiligheid en gezondheid noemen in verband met weersverschijnselen, lucht- en bodemverontreiniging en luchtvochtigheid. Domein I.: Straling en stralingsbescherming Subdomein: straling De kandidaat kan
- 68 bronnen van ioniserende straling noemen en soorten ioniserende straling onderscheiden. (Atoom, kern, proton, neutron, elektron, isotoop; alpha-, bèta- en gamma-straling.) Subdomein: radio-actief verval De kandidaat kan
- 69 radio-actief verval beschrijven als het veranderen van atoomkernen. (Stabiele en instabiele kernen; halveringstijd; activiteit.) Subdomein: toepassing in de gezondheidszorg De kandidaat kan
- 70 toelichten welke rol straling speelt bij tracers, röntgenfotografie en bestraling;
- 71 de werking uitleggen van maatregelen tegen ongewenste blootstelling aan straling en tegen het opnemen van radio-actieve stoffen; (Absorptie van straling; dracht; doordringend vermogen.)
- 72 maatregelen noemen om nadelige effecten van het gebruik van straling en radio-actieve stoffen voor mens en milieu te beperken. (Opslag afval) Domein J.: Bouw van materie Subdomein: gassen De kandidaat kan
- 73 *. in eenvoudige gevallen de wet van Boyle toepassen;
- 74 *. in eenvoudige gevallen de algemene gaswet toepassen. Subdomein: atomen De kandidaat kan
- 75 de bouw van een atoom beschrijven in termen van atoomkernen, elektronen; (Protonen; neutronen; stabiele en instabiele atoomkernen; isotopen.)
- 76 de positieve of negatieve lading van een voorwerp beschrijven in termen van een tekort of overschot aan elektronen; (Elektroscoop; neutraal lichaam.)
- 77 de stroomgeleiding in metalen interpreteren als een transport van elektronen. (Vrije elektronen.)
- 78 de werking van ioniserende straling in verband brengen met de vorming van ionen; Subdomein: moleculen De kandidaat kan
- 79 *. macroscopische verschijnselen uiteenzetten in termen van moleculen; (Cohesie en adhesie; fasen en fase-verandering; uitzetten.)
- 80 *. uitleggen waarvan de snelheid van verdampen afhangt (kwalitatief). (Oppervlakte, temperatuur en dampafvoer.)