Bijlage 3 Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Examenprogramma AARDRIJKSKUNDE eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt. 2. Het centraal examen Bij het centraal examen worden de vaardigheden betrokken. 3. Het schoolonderzoek Bij het schoolonderzoek worden de vaardigheden betrokken. Aanwijzing C en D Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten. In de stofomschrijving van de onderwerpen voor het centraal examen kunnen nadere aanwijzingen worden gegeven. Examenstof De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen. 1. Vaardigheden De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen: De kandidaat kan 2. Eindtermen Domein A.: De eigen omgeving De kandidaat kan
- a. Het centraal examen heeft betrekking op twee onderwerpen.
- b. De twee onderwerpen hebben betrekking op twee der domeinen ‘Nederland’, ‘Europa’ en ‘De wereld’ en zijn van regionale en/of thematische aard.
- c. De minister draagt zorg voor de jaarlijkse vaststelling van de onderwerpen en voor de daarbij behorende stofomschrijving op basis van de bij dat onderwerp betrokken vaardigheden en eindtermen.
- d. De twee onderwerpen worden ten minste twee jaar voor de aanvang van het schooljaar, waarin die onderwerpen worden geë xamineerd, door de minister bekendgemaakt.
- a. Het schoolonderzoek heeft betrekking op ten minste drie onderwerpen. Deze door de school zelf bepaalde en omschreven onderwerpen maken niet tevens deel uit van het centraal examen.
- b. Eén van deze onderwerpen heeft geheel of gedeeltelijk betrekking op het domein ‘De eigen omgeving’, de andere twee hebben betrekking op twee andere domeinen.
- c. Eén van de onderwerpen krijgt gestalte door zelfstandige bestudering of zelfstandig onderzoek en is niet voor alle kandidaten hetzelfde.
- 1. aangeven wat typerend is voor het vak aardrijkskunde en dit toepassen bij het bestuderen van maatschappelijke vraagstukken, zodat een beargumenteerd standpunt mogelijk is over deze vraagstukken;
- (De ongelijke verdeling van maatschappelijke en natuurlijke verschijnselen over de aardbol;
- de verplaatsing en stromingen als gevolg van deze ongelijke verdeling;
- het bestaan van grenzen en grensoverschrijdende activiteiten.)
- 2. verschillende soorten kaarten en een atlas gebruiken:
- aan de hand van kaart(en) informatie identificeren, analyseren en interpreteren;
- in een gegeven situatie de juiste kaart selecteren;
- met behulp van kaarten zelf gegevens presenteren;
- 3. activiteiten uitvoeren zoals die binnen een eenvoudig onderzoek voorkomen:
- uit bronnen een probleemstelling formuleren;
- gegevens verzamelen door eigen waarneming of door het raadplegen van bronnen, en informatiebronnen (waaronder massamedia) kritisch beoordelen;
- gegevens ordenen en overzichtelijk weergeven, waar nodig in tabellen, diagrammen, schema's en kaarten;
- conclusies trekken uit gegevens;
- de resultaten van eigen onderzoek presenteren.
- 1 de typerende sociaal-geografische en/of fysisch-geografische kenmerken van de eigen omgeving inventariseren; (De selectie van kenmerken is afhankelijk van de situering van de school. Afhankelijk van de eigen omgeving gaat het om:
- de structuur van het landschap;
- woonomstandigheden, bronnen van levensonderhoud, recreatievormen en voorzieningen, waaronder verkeersvoorzieningen;
- geleding in deelgebieden;
- ligging, plaats en positie van het eigen leefgebied in de provincie en in Nederland;
- samenhang tussen inrichting en levensomstandigheden.)
- 2 aan de hand van voorbeelden uitleggen welke invloed veranderingen in bevolking, werkgelegenheid en transport kunnen hebben op de inrichting van het eigen dagelijkse leefgebied; (Afhankelijk van de eigen omgeving gaat het om:
- woonomstandigheden;
- economische activiteiten;
- verkeersvoorzieningen en de bereikbaarheid van centra in de omgeving;
- recreatiemogelijkheden.)
- 3 gegevens verzamelen over de herinrichting van (een deel van) de dagelijkse leefomgeving en de argumentatie voor een mening geven over de verandering van de kwaliteit voor het wonen, de economische activiteiten en de recreatieve mogelijkheden. (Afhankelijk van de eigen omgeving gaat het om: Domein B.: Nederland De kandidaat kan
- door de overheid of private sector geïnitieerde activiteiten;
- door bewoners zelf bedachte activiteiten.)
- 4 aangeven wat de typerende sociaal-geografische en fysisch-geografische kenmerken van een gegeven landschap zijn en dit landschap aan de hand van de kenmerken op kaart en foto lokaliseren; (Fysisch-geografische gegevens, bevolkingsgegevens, economische activiteiten.)
- 5 kenmerken van een landschap beschrijven en verklaren op basis van waarneembare gegevens en gegevens uit andere bronnen;
- 6 de huidige en verwachte problemen bij de waterbeheersing en de drinkwatervoorziening in hoog en laag Nederland beschrijven en verklaren; (Waterbeheersing gerelateerd aan de grondwaterstand, grondsoort en hoogteligging; gebruik van grond- en oppervlaktewater voor drinkwatervoorziening.)
- 7 verschillen noemen tussen grote, middelgrote en kleine steden, wat betreft bevolking en econo-mische functies;
- 8 vijf grote stedelijke gebieden binnen Nederland lokaliseren en hun typerende kenmerken noemen;
- 9 het toegroeien naar een multiculturele samenleving beschrijven en verklaren; (Aandeel, herkomst en spreiding van minderheden; ruimtelijke segregatie van minderheden.)
- 10 de belangrijkste verkeers- en vervoersnetwerken binnen Nederland beschrijven en in verband brengen met hun ligging; (De ligging van stedelijke gebieden gerelateerd aan economische activiteiten.)
- 11 milieu- en verkeersvraagstukken in de drukke punten van de verkeers- en vervoersnetwerken beschrijven; (Mobiliteit, bereikbaarheid, leefbaarheid.)
- 12 een inventarisatie maken van voor- en nadelen van de toegenomen mobiliteit voor wonen, werken en recreëren voor verschillende belanghebbende partijen; (Bereikbaarheid, leefbaarheid.)
- 13 het verband uitleggen tussen de groeps-/partijbelangen en opvattingen en de gekozen oplossingen voor mobiliteitsproblemen, en een argumentatie geven voor een standpunt over deze oplossingen. Domein C.: Europa De kandidaat kan
- 14 deelgebieden van Europa lokaliseren en hun sociaal-geografische en fysisch-geografische kenmerken beschrijven en verklaren, voor zover deze kenmerken typerend zijn voor en afwijken van andere deelgebieden; (Hoogte en reliëf, klimaat en vegetatie, natuurlijke hulp- en energiebronnen; bevolkingsaantallen, bevolkingsconcentraties en ontwikkelingen daarin; economische activiteiten en welvaart; politieke organisatie; culturele aspecten.)
- 15 ontwikkelingen in de Europese Unie beschrijven met behulp van sociaal-geografische kenmerken en gevolgen van de ontwikkelingen voor Nederland aangeven; (Lidstaten en geassocieerde landen; binnen- en buitengrenzen; centrale plaatsen met politieke en economische betekenis; belangrijkste verkeers- en vervoersnetwerken; integratie en schaalvergroting; ongelijke welvaart en ontwikkeling in verband met de ligging; verandering in de ligging van economische zwaartepunten.)
- 16 relaties leggen tussen de toename van de welvaart, de voorzieningen in de vakantiegebieden en de bereikbaarheid van verschillende vakantiebestemmingen voor het massatoerisme alsmede de geschiktheid van andere gebieden bepalen voor meer individuele vakantievormen;
- 17 bedreigingen van het milieu in Europa noemen en het verband met de economische activiteiten en de ontwikkeling van het massatoerisme toelichten;
- 18 het grensoverschrijdend karakter toelichten van milieuvraagstukken in Europa en argumentatie geven voor een standpunt over de rol van Nederland bij deze problematiek. (De Noordzee en de Rijn; zure regen; de rol van Nederland als producent en ontvanger van verontreiniging.) Domein D.: De wereld De kandidaat kan
- 19 typerende kenmerken van fysisch-geografische en sociaal-geografische zones op een kaart lokaliseren, beschrijven en verklaren; (Klimaatgebieden; cultuurgebieden.)
- 20 typen van onderontwikkelde landen beschrijven aan de hand van typerende kenmerken; (BNP per hoofd; gebruik commerciële energie; bevolkingsgroei; analfabetisme; kindersterfte.)
- 21 verschillende samenhangende interne en externe factoren noemen die het voortduren van de onderontwikkeling bevorderen en die de asymmetrie van internationale economische en sociaal-culturele relaties in het Noord-Zuid vraagstuk in stand houden; (Fysische, demografische, culturele, economische en politieke factoren.)
- 22 de samenhang van het milieu op mondiaal niveau beschrijven; aangeven hoe menselijke ingrepen dat milieu bedreigen en mogelijke gevolgen voor Nederland noemen; (Het broeikaseffect en klimaatveranderingen; ontbossing; woestijnvorming.)
- 23 het verband tussen het armoedevraagstuk, de welvaart in de rijke landen en de mondiale milieuproblematiek uitleggen;
- 24 een argumentatie geven voor een standpunt over de inspanningen van derde-wereldlanden en welvaartslanden om de problematiek van onderontwikkeling en de mondiale milieu-pro-blematiek om te buigen naar een situatie van duurzame ontwikkeling.