Bijlage 2 Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Examenprogramma GESCHIEDENIS EN STAATSINRICHTING eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling 2. Het centraal examen 3. Het schoolonderzoek Aanwijzingen C en D Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten. In de stofomschrijving van de onderwerpen voor het centraal examen kunnen nadere aanwijzingen worden gegeven. Examenstof De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen. 1. Vaardigheden De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen: De kandidaat kan 2. Eindtermen Domein A.: Vaardigheden in relatie tot stuctuurbegrippen De kandidaat kan Bijlage Lijst van themavelden I. Historische themavelden: II. Themavelden betreffende de staatsinrichting:
- a. Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.
- b. Voor centraal examen en schoolonderzoek samen geldt dat in een tijdcyclus van drie jaar
- ten minste één onderwerp is gewijd aan ontwikkelingen, vraagstukken of gebeur-tenissen uit prehistorie, oudheid, middeleeuwen en/of nieuwe geschiedenis, die, hoewel in tijd verder verwijderd van de actuele samenleving dan het jaar 1870, voor onze tijd van belang zijn;
- ten minste één onderwerp gewijd is aan historische achtergronden van actuele, na 1870 manifeste ontwikkelingen, vraagstukken of gebeurtenissen;
- ten minste één onderwerp betrekking heeft op mondiale gebeurtenissen.
- a. Het centraal examen heeft betrekking op twee onderwerpen.
- b. In elk examenjaar heeft een van de twee onderwerpen betrekking op Nederland en/of zijn (voormalige) koloniën/rijksdelen.
- c. De onderwerpen zijn gerelateerd aan historische themavelden en aan themavelden voor staatsinrichting; de lijst van themavelden is als bijlage bij dit examenprogramma gevoegd.
- d. De algemene vaardigheden, de specifieke vaardigheden en structuurbegrippen in domein A en de eindtermen in de overige domeinen, alsmede de voor alle eindtermen opgenomen algemene aanwijzingen vormen het kader waarbinnen onderwerpen nader worden bepaald en in een stofomschrijving worden uitgewerkt.
- e. De uitwerking van de onderwerpen heeft betrekking op de plaatsing in tijd en ruimte, op de afbakening van de omvang en op de formulering en geleding van de vraagstelling. Daarbij is op evenwichtige wijze aandacht besteed aan het sociaal-economische, bestuurlijk-politieke, cultureel-mentale aspect en staatsinrichting en de relaties daartussen, met dien verstande dat niet elk aspect bij elk onderwerp aan de orde hoeft te komen.
- f. De minister draagt zorg voor de vaststelling van de onderwerpen en de daarbij behorende stofomschrijving.
- g. De onderwerpen worden ten minste twee jaar voor de aanvang van het schooljaar waarin ze worden geëxamineerd, door de minister bekendgemaakt.
- a. Het schoolonderzoek heeft betrekking op ten minste drie onderwerpen.
- b. Deze onderwerpen worden door de school zelf bepaald en omschreven.
- c. Deze onderwerpen maken geen deel uit van het centraal examen.
- d. Deze onderwerpen zijn ontleend aan twee of meer domeinen met toepassing van vaardigheden en structuurbegrippen zoals genoemd in domein A.
- e. Eén van deze onderwerpen krijgt gestalte door zelfstandige bestudering of zelfstandig onderzoek en is niet voor alle kandidaten hetzelfde.
- f. Als staatsinrichting in een examenjaar geen deel uitmaakt van het centraal examen heeft een van de onderwerpen van het schoolonderzoek geheel of gedeeltelijk betrekking op de staatsinrichting van Nederland.
- 1. de structuurbegrippen hanteren, zoals nader gespecificeerd in domein A;
- 2. activiteiten uitvoeren zoals die binnen een eenvoudig onderzoek voorkomen:
- uit bronnen een probleemstelling formuleren,
- gegevens verzamelen door eigen waarneming of door het raadplegen van bronnen, en informatiebronnen (waaronder massamedia) kritisch beoordelen,
- gegevens ordenen en overzichtelijk weergeven, waar nodig in tabellen, diagrammen, schema's en kaarten,
- conclusies trekken uit gegevens,
- de resultaten van eigen onderzoek presenteren.
- 3. vanuit verworven inzicht in historische en hedendaagse maatschappelijke verschijnselen, ontwikkelingen en vraagstukken daarover een beargumenteerd standpunt weergeven.
- 1 Domein B tot en met D Voor de eindtermen in de volgende domeinen geldt – naast het kunnen hanteren van de genoemde structuurbegrippen en specifieke vaardigheden – dat: Domein B.: Sociaal-economisch aspect De kandidaat kan
- 1. de volgende structuurbegrippen en specifieke vaardigheden toepassen bij de domeinen B tot en met E:
- a. de begrippen bron en vraagstelling hanteren;
- verschillende soorten (historische) bronnen van elkaar onderscheiden,
- vragen aan bronnen stellen met het oog op een onderzoek van beperkte omvang,
- bronnen verzamelen voor de beantwoording van een vraagstelling,
- de waarde van een bron of een deel ervan vaststellen voor de beantwoording van een vraagstelling, daarbij rekening houdend met de betrouwbaarheid van de bron,
- b. de begrippen feit en objectiviteit hanteren;
- (historische) bronnen, feiten van meningen onderscheiden en vooroordelen en/of stereo-typen onderkennen,
- aangeven waardoor een zo objectief mogelijke weergave van het verleden belemmerd kan worden,
- c. de begrippen oorzaken en gevolgen hanteren;
- verduidelijken dat (historische) gebeurtenissen, verschijnselen en processen vaak meer oorzaken hebben,
- verduidelijken dat de ene oorzaak belangrijker is dan de andere,
- bedoelde en onbedoelde gevolgen van elkaar onderscheiden,
- directe gevolgen onderscheiden van later optredende gevolgen,
- d. de begrippen verandering, continuïteit en discontinuïteit hanteren;
- in de loop van de gebeurtenissen in een bepaalde tijd ontwikkelingen aanwijzen,
- zowel het incidentele als het algemene en vaak voorkomende in de geschiedenis onderscheiden,
- factoren die ten grondslag liggen aan verandering van het bestaande, alsmede de reacties daarop herkennen,
- zich realiseren dat elke tijd beïnvloed wordt door het verleden,
- e. de begrippen inleving en standplaatsgebondenheid hanteren;
- zich verplaatsen in mensen en hun beweeg-redenen in het verleden,
- de standplaatsgebondenheid bij zichzelf en bij mensen in het verleden en in andere situaties herkennen,
- f. het begrip interpretatie hanteren;
- herkennen dat er meer dan een interpretatie van het verleden mogelijk is,
- verbanden leggen tussen verzamelde gegevens,
- een hoeveelheid gegevens in een interpretatie verwerken in bijvoorbeeld een werkstuk of een tentoonstelling,
- eigen interpretaties en die van anderen koppelen aan een bron, vraagstelling en standplaatsgebondenheid,
- g. het begrip politiek hanteren.
- aangeven wat een staat is en hoe het Nederlandse staatsbestel ontstaan is,
- in het proces van politieke beleids- en besluitvorming op verschillende niveaus (gemeentelijk, provinciaal, nationaal en Europees) de positie en mogelijke invloed van betrokken actoren aangeven,
- toelichten waarom in de wisselwerking tussen beleid en samenleving vaak compromissen nodig zijn en dat diverse factoren een ideaal functioneren van het staatsbestel in de weg staan,
- de volgende stadia in het proces van beleids- en besluitvorming herkennen:
- invloed vanuit de samenleving,
- omzetting in overheidsbeleid,
- effecten van overheidsbeleid op de samenleving,
- voortgezette invloed vanuit de samenleving.
- ze van toepassing zijn op verschillende tijdvakken in de geschiedenis;
- de kandidaat bij de toelichting van de eindterm kenmerkende voorbeelden kan geven en daarbij een standpunt kan verwoorden;
- de kandidaat het verband tussen factoren uit verschillende domeinen kan aangeven.
- 2 met gebruikmaking van de factoren arbeid en arbeidsverdeling, kapitaal, techniek, natuur en milieu: pre-agrarische, agrarische, agrarisch-stedelijke en industriële samenlevingstypen herkennen en van elkaar onderscheiden en aan de hand van die factoren ontwikkelingen in die samenlevingstypen analyseren;
- 3 met gebruikmaking van de factoren sekse, afkomst, herkomst, bezit, inkomen, opleiding, beroep, stand en klasse: sociale en economische verhoudingen beschrijven en de positie van individuen en/of groepen in de samenleving analyseren aan de hand van die factoren en de relatie tussen die factoren;
- 4 de invloed van technologische ontwikkelingen op de sociale en economische verhoudingen duidelijk maken en de wisselwerking toelichten;
- 5 emancipatieprocessen herkennen, analyseren en kenmerkende achtergronden daarvan toelichten;
- 6 rol- en relatiepatronen noemen en ontwikkelingen binnen deze patronen toelichten;
- 7 demografische ontwikkelingen noemen en de relatie met sociale en economische ontwikkelingen toelichten;
- 8 processen van economische groei, stagnatie en inkrimping onderscheiden en toelichten;
- 9 economische (afhankelijkheids) verhoudingen tussen personen, groepen, gebieden en staten herkennen, beschrijven en veranderingen daarin toelichten. Domein C.: Bestuurlijk-politiek aspect De kandidaat kan
- 10 factoren herkennen en noemen die een rol spelen bij het ontstaan van staten;
- 11 sociaal-economische, technologische, religieuze, culturele en etnische factoren in de bestuurlijkpolitieke ontwikkeling van staten herkennen, analyseren en toelichten welke rol ze daarin spelen;
- 12 de rol van personen, standen en klassen, maatschappelijke groepen, bewegingen en/of organisaties in politieke machtsverhoudingen herkennen, analyseren en toelichten;
- 13 verschuivingen in politieke machtsverhoudingen noemen en verklaren;
- 14 achtergronden beschrijven van conflicten op regionale, nationale, continentale en/of mondiale schaal en toelichten welke rol personen, groepen, of (verbonden) staten hierin spelen;
- 15 gevolgen van conflicten voor de burgerbevolking noemen en verklaren;
- 16 vormen van internationale samenwerking noemen en toelichten;
- 17 ontwikkelingen in de politiek van een staat of een wereldmacht beschrijven en toelichten;
- 18 verschuivingen in internationale machtsverhoudingen tussen staten of grotere regio's herkennen, analyseren en toelichten en de gevolgen daarvanvoor het dagelijks leven in die staten en regio's beschrijven. Domein D.: Cultureel-mentaal aspect De kandidaat kan
- 19 kenmerken van wereld- en levensbeschouwingen en religies noemen, de aard ervan beschrijven en de rol en invloed ervan op de samenleving toelichten;
- 20 gewoonten en gebruiken, normen, waarden en opvattingen van sociale groepen herkennen als kenmerkend voor bepaalde groepen en het belang van deze groepen voor maatschappelijke ontwikkelingen toelichten;
- 21 wijzen van beïnvloeding door personen en groepen herkennen, beschrijven en de eigen betrokkenheid daarbij toelichten;
- 22 eigen gewoonten, normen, waarden en opvattingen vergelijken met die van vroegere en hedendaagse sociale groepen;
- 23 toelichten dat waarden en normen niet absoluut zijn en beïnvloed worden, en veranderingen in gewoonten en gebruiken, normen, waarden en opvattingen in een samenleving herkennen, analyseren en toelichten;
- 24 uitgangspunten van politieke stromingen noemen en toelichten en het belang van deze stromingen voor ontwikkelingen, personen en groepen in een samenleving duidelijk maken;
- 25 toelichten dat in elke periode kunstuitingen een directe relatie hebben met hoe mensen de bestaande situatie beleven en voorbeelden van kunstuitingen plaatsen in de tijd;
- 26 de invloed van de wetenschap op de materiële en immateriële cultuur herkennen, analyseren en de betekenis van ontwikkelingen die daarvan een gevolg zijn, voor mens en milieu toelichten. Domein E.: Staatsinrichting De kandidaat kan
- 27 onderdelen van het staatsbestel en de werking ervan beschrijven en verklaren vanuit de wordingsgeschiedenis van het Nederlandse staatsbestel;
- 28 bestuurlijke organen op gemeentelijk, provinciaal (regionaal), nationaal en Europees niveau noemen en toelichten hoe zij ontstaan zijn, worden samengesteld, wat hun taken zijn en hoe zij functioneren;
- 29 voorbeelden geven van beleids- en besluitvorming en beleidsuitvoering op gemeentelijk, provinciaal, nationaal en Europees niveau;
- 30 de wisselwerking tussen de bestuurlijke organen onderling en met de Nederlandse samenleving herkennen, analyseren en toelichten;
- 31 toelichten welke rol in deze wisselwerking wordt gespeeld door politieke partijen, maatschappelijke organisaties, belangengroepen en media;
- 32 organisatie en functie van de rechtelijke macht beschrijven en de betekenis en mogelijkheden ervan voor de inwoners toelichten.
- 1. De Nederlandse Opstand.
- 2. De Gouden Eeuw in de Lage Landen.
- 3. De wording van de industriële samenleving in Nederland.
- 4. Verzuiling en ontzuiling in Nederland.
- 5. Ontwikkelingen in de leef- en denkwereld van de Middeleeuwse samenleving.
- 6. De wortels van de westerse cultuur.
- 7. De Tweede Wereldoorlog.
- 8. Identiteit en invloed van de Islam.
- 9. Ontwikkelingen in het Europese statensysteem.
- 10. Een wereldmacht: traditie en verandering.
- 11. De veranderende positie van de vrouw.
- 12. De ontwikkelingen naar een multi-culturele samenleving.
- 13. De wording van een nationale staat in de niet-westerse wereld.
- 14. Revoluties en vrijheidsoorlogen.
- 15. Internationale betrekkingen en blokvorming.
- 1. De wording en het functioneren van de verzorgingsstaat.
- 2. Partijvorming binnen het Nederlandse parlementaire stelsel.
- 3. De betekenis van het proces van de (vrouwen)emancipatie voor het Nederlandse politieke systeem.
- 4. De betekenis van gemeente en provincie binnen het Nederlandse politieke systeem, o.a. processen van centralisatie en decentralisatie.
- 5. Parlementaire democratie versus dictatuur.
- 6. De ontwikkeling van de internationale rechtsorde.