Bijlage 14 Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Examenprogramma FRANSE TAAL, DUITSE TAAL, ENGELSE TAAL EN SPAANSE TAAL eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt. 2. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op leesvaardigheid: intensief lezen (eindtermen 1 tot en met 7) waarbij voor zover terzake de vaardigheden 1 tot en met 4 worden betrokken. De eindtermen worden getoetst aan de hand van vragen en opdrachten bij een aantal teksten. 3. Het schoolonderzoek Het schoolonderzoek omvat afzonderlijke toetsing van: Aanwijzingen C en D Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten. Bedoeld onderscheid wordt enerzijds bepaald door het taalmateriaal bij lees- en luistervaardigheid (woordenschat, grammaticale complexiteit, abstractieniveau van teksten), anderzijds door de kwaliteit van de uitvoering bij spreek- en schrijfvaardigheid (grotere gepastheid en formele correctheid). Examenstof De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen. 1. Vaardigheden De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen: De kandidaat kan 2. Eindtermen Domein A: Lezen Subdomein: Intensief lezen De kandidaat kan
- a. Leesvaardigheid: extensief lezen (eindterm 8). De toetsing geschiedt in elk geval aan de hand van een aantal door de kandidaat gelezen fictionele en niet-fictionele teksten, ter keuze van de school in de vorm van een leesdossier.
- b. Luistervaardigheid (eindtermen 9 tot en met 13).
- c. Gespreksvaardigheid (eindtermen 14 tot en met 22).
- d. Schrijfvaardigheid (eindtermen 23 tot en met 31). De eindtermen worden getoetst aan de hand van een aantal in het Nederlands gestelde functionele opdrachten betreffende het schrijven van een brief/brieven. In de opdrachten wordt de context duidelijk gemaakt. Bij het schrijven van de brief/brieven heeft de kandidaat een woordenboek tot zijn beschikking. Bij a tot en met d worden de vaardigheden 1 tot en met 4 betrokken.
- 1. strategieën hanteren die op het bereiken van verschillende lees-, luister-, spreek- en schrijfdoelen zijn afgestemd;
- 2. compenserende strategieën hanteren, wanneer de eigen taalkennis tekort schiet;
- 3. bij het verwerven en presenteren van informatie gebruik maken van bronnen en informatiesystemen, zoals vraaggesprekken, artikelen uit kranten en tijdschriften en naslagwerken (waaronder woordenboeken);
- 4. kennis van land en volk toepassen bij het herkennen van cultuuruitingen die specifiek zijn voor het betreffende taalgebied.
- 1 bepalen welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte;
- 2 de hoofdzaken en de belangrijkste details van teksten aangeven;
- 3 gegevens uit een of meer teksten met elkaar vergelijken en conclusies trekken op basis van essentiële informatie in die tekst(en);
- 4 verbanden herkennen tussen onderdelen van een tekst;
- 5 het gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen; (Overdrijvingen, grappen.)
- 6 conclusies trekken over:
- het schrijfdoel, de opvattingen en gevoelens van de auteur;
- het publiek waarvoor de tekst bedoeld is;
- 7 gebruik maken van compenserende strategieën. (Het afleiden van de woordbetekenis uit de context.) Subdomein: Extensief lezen De kandidaat kan
- 8 langere fictionele en niet-fictionele, informatieve teksten van uiteenlopende omvang en aard lezen. Het betreft bij de eindtermen 1 tot en met 8: Kenmerken van de teksten: Domein B.: Luisteren De kandidaat kan
- artikelen uit kranten en tijdschriften;
- verhalend proza;
- functionele teksten, zoals folders, gebruiksaanwijzingen, reisgidsen, formulieren, advertenties, berichten of korte mededelingen en correspondentie.
- zijn representatief voor authentiek schriftelijk materiaal;
- passen bij het ontwikkelingsniveau van de kandidaten en zijn geschreven voor een breed publiek;
- sluiten qua onderwerp aan bij de belangstelling van de kandidaten en het eigentijdse maatschappelijke gebeuren;
- houden rekening met voorkennis;
- hebben een eenvoudige opbouw;
- kunnen enige kennis vereisen van landen en culturen waarin de vreemde taal als moedertaal geldt.
- 9 bepalen welke relevante informatie een gesproken tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte;
- 10 waarschuwingen en beleefdheidsfrasen begrijpen;
- 11 de hoofdzaken en de belangrijkste details van gesproken tekst onderscheiden en begrijpen;
- 12 op basis van het gehoorde anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek;
- 13 gebruik maken van compenserende strategieën. (Het afleiden van informatie uit de context en de luistersituatie.) Het betreft bij de eindtermen 9 tot en met 13: Domein C.: Gesprekken voeren De kandidaat kan
- interviews, reportages, monologen, dialogen en discussies; nieuws- en weerberichten, reclameboodschappen, verkeersinformaties en programma-aankondigingen; aanwijzingen en instructies en de meest voorkomende bekendmakingen via geluidssystemen op stations, vliegvelden en dergelijke.
- 14 informatie uitwisselen;
- 15 standpunten uitwisselen;
- 16 anderen aanzetten tot handelen;
- 17 instemmen of weigeren;
- 18 persoonlijke gevoelens uiten en ernaar vragen;
- 19 in taal uitgedrukte sociale omgangsvormen juist interpreteren en zelf gebruiken;
- 20 een gesprek beginnen, sturen en eindigen;
- 21 strategieën toepassen om tekorten in taalkennis te compenseren; (Het gebruiken van omschrijvingen, het parafraseren)
- 22 misverstanden gebaseerd op culturele verschillen tot een minimum beperken of oplossen. Het betreft bij de eindtermen 14 tot en met 22 gesprekken zoals gewone ‘face to face’ gesprekken en telefonische gesprekken in alledaagse situaties. Kenmerken van de gesprekken: Bij het beoordelen spelen de volgende factoren een rol: Domein D.: Schrijven De kandidaat kan
- ze passen qua onderwerp bij het ontwikkelingsniveau van de kandidaten en sluiten aan bij persoonlijk leven, school, studie en beroep, informele sociale contacten en vrije tijd;
- de kandidaat gebruikt woorden en uitdrukkingen met een neutrale gebruikswaarde, die zowel in formele als informele situaties passen.
- gepastheid in de situatie;
- correctheid wat betreft uitdrukkingsvorm, woordgebruik, uitspraak, grammatica.
- 23 informatie geven en vragen;
- 24 meningen geven en ernaar vragen;
- 25 verzoeken doen;
- 26 bedanken;
- 27 reageren;
- 28 gevoelens uiten en ernaar vragen;
- 29 correcte schriftelijke sociale omgangsvormen hanteren;
- 30 omgaan met een woordenboek;
- 31 strategieën toepassen om tekorten in taalkennis te compenseren. (Het gebruiken van omschrijvingen, het parafraseren) Het betreft bij de eindtermen 23 tot en met 31: Bij het beoordelen spelen de volgende factoren een rol:
- een eenvoudige informele en formele brief over
- persoonlijke omstandigheden;
- onderwijs en toekomstplannen;
- vrije tijd en ontspanning;
- reizen;
- vakantie;
- gezondheid en welzijn;
- het weer;
- diensten (bijv. VVV).
- volledigheid en duidelijkheid;
- correctheid wat betreft uitdrukkingsvorm, woordgebruik, grammatica, spelling.