Bijlage 13 Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Examenprogramma MAATSCHAPPIJLEER eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt. 2. Het centraal examen Bij het centraal examen worden de vaardigheden betrokken. 3. Het schoolonderzoek Het schoolonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten Bij het schoolonderzoek worden de vaardigheden betrokken. Aanwijzingen C en D Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen, met dien verstande dat voor het centraal examen door de minister nadere aanwijzingen kunnen worden gegeven. Die aanwijzingen kunnen inhouden dat aangegeven vaardigheden en eindtermen worden uitgesloten van het C-examen. Het onderscheid tussen beide examens berust voorts op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten. Examenstof De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen. 1. Vaardigheden De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen: De kandidaat kan 2. Eindtermen Domein A.: Politiek en beleid Subdomein: politieke structuren en processen De kandidaat kan
- a. Het centraal examen heeft betrekking op het domein Politiek en beleid en op twee andere – periodiek wisselende – domeinen.
- b. De periodiek wisselende domeinen worden ten minste twee jaar voor de aanvang van het schooljaar, waarin ze worden geëxamineerd, door de minister bekendgemaakt.
- a. een domein dat niet in het centraal examen is opgenomen;
- b. een sociaal en/of politiek probleem of verschijnsel binnen één of meer der domeinen. Dit onderdeel dient – geheel of gedeeltelijk – door de kandidaat zelfstandig te zijn bestudeerd in de vorm van literatuurstudie of onderzocht in de vorm van een interview, enquête of een andere vorm van onderzoek.
- 1. omgaan met de centrale begrippen en kenmerkende benaderingswijze van het vak; De centrale begrippen zijn als zodanig aangegeven in de eindtermen; de kenmerkende benaderingswijze wordt gevormd door vier invalshoeken: 1. de politiek-juridische invalshoek: 2. de sociaal-economische invalshoek: 3. de sociaal-culturele invalshoek: 4. de veranderings- en vergelijkende invalshoek:
- de rol van de overheid en van rechtsregels bij een sociaal en politiek probleem of verschijnsel (beleid, wetgeving);
- belangen en machtsverhoudingen (positie van belangengroepen, invloed van maatschappelijke groeperingen op het beleid);
- de relatie van een sociaal en politiek probleem of verschijnsel met de sociaal-economische structuur van de samenleving;
- de relatie van een sociaal en politiek probleem of verschijnsel met de culturele context (verschillende waarden, normen, leefgewoonten);
- opvattingen van maatschappelijke groeperingen (standpunten van politieke partijen en belangengroepen in relatie tot ideologische stromingen);
- sociale en politieke problemen of verschijnselen in het perspectief van sociale veranderingen en in vergelijking met andere samenlevingen;
- 2. zelfstandig informatie verwerven over sociale en politieke problemen; deze verwerken en toepassen met behulp van de centrale begrippen en de kenmerkende benaderingswijze van het vak;
- 3. activiteiten uitvoeren zoals die binnen een eenvoudig onderzoek voorkomen:
- uit bronnen een probleemstelling formuleren;
- gegevens verzamelen door eigen waarneming of door het raadplegen van bronnen, en informatiebronnen (waaronder massamedia) kritisch beoordelen;
- gegevens ordenen en overzichtelijk weergeven, waar nodig in tabellen, diagrammen, schema's en kaarten;
- conclusies trekken uit gegevens;
- de resultaten van eigen onderzoek presenteren;
- 4. een beargumenteerd standpunt over gegeven maatschappelijke vraagstukken formuleren met behulp van de centrale begrippen en de kenmerkende benaderingswijze van het vak.
- 1 kenmerken van de parlementaire democratie herkennen en beschrijven;
- 2 een aantal fasen in het totstandkomen van politieke beslissingen herkennen en beschrijven; (Met gebruikmaking van de begrippen: burgers, belangengroepen, de media, regering, parlement, politieke partijen en ambtenaren, beleid en wetgeving, politiek, democratie, rechtsstaat, macht.)
- 3 de rol en invloed van regering, parlement en ambtenaren in een parlementaire democratie beschrijven;
- 4 uitleggen wat het begrip democratie betekent;
- 5 de rol en invloed van politieke partijen en belangen- of pressiegroepen in het politieke besluitvormingsproces beschrijven;
- 6 knelpunten onderscheiden in het functioneren van het politieke besluitvormingsproces en voorbeelden geven van voorstellen tot verbetering;
- 7 een eigen mening verwoorden over de mate waarin burgers in ons land invloed kunnen uitoefenen op de politieke besluitvorming. Subdomein: politieke stromingen De kandidaat kan
- 8 maatschappijvisies onderscheiden die een rol spelen in het denken over de politiek;
- 9 toelichten welke politieke stromingen en partijen verwant zijn met die maatschappijvisies; (Met gebruikmaking van de begrippen: liberalisme, christendemocratie, sociaal-democratie, communisme, rechtsextremisme/fascisme, ecologische visie, links/rechts, progressief en conservatief.) Domein B.: Arbeid en samenleving Subdomein: verzorgingsstaat De kandidaat kan
- 10 uitleggen wat wordt bedoeld met een verzorgingsstaat en door welke factoren deze onder druk is komen te staan;
- 11 opvattingen weergeven van grote maatschappelijke en politieke stromingen over de rol die de overheid zou moeten spelen op het terrein van arbeid en de daarmee samenhangende sociale en economische verhoudingen; (Met gebruikmaking van de begrippen: (democratisch) socialisme, christen-democratie, liberalisme, ecologische visie, verzorgingsstaat.)
- 12 regels noemen of opzoeken waarmee de burgers te maken hebben bij het verschijnsel arbeid;
- 13 terreinen van mens en werk onderscheiden waarop de overheid actief is en deze terreinen in verband brengen met artikelen uit de grondwet. Subdomein: arbeidsverdeling De kandidaat kan
- 14 de huidige industriële samenleving typeren op basis van: (Met gebruikmaking van de begrippen: sociale ongelijkheid, sociaal milieu, arbeidsverdeling.)
- mate van arbeidsverdeling,
- stand van de technologie,
- structuur van de samenleving;
- 15 de positie van jongeren, vrouwen en etnische minderheden op de arbeidsmarkt typeren. Subdomein: arbeidsverhoudingen De kandidaat kan
- 16 uitleggen wat met arbeidsverhoudingen wordt bedoeld;
- 17 belangen van werkgevers- en werknemers-organisaties herkennen en aangeven welke middelen deze hebben om voor hun belangen op te komen; (Met gebruikmaking van de begrippen: vakbonden, vakcentrales, arbeidsverhoudingen, belangen (organisaties).) Subdomein: arbeidsethos De kandidaat kan
- 18 functies noemen die arbeid voor mensen kan hebben; (Met gebruikmaking van het begrip arbeidsethos.)
- 19 factoren noemen die van invloed zijn op de (maatschappelijke) waardering van verschillende soorten werk;
- 20 in de actuele discussie over het arbeidsethos verschillende opvattingen onderscheiden;
- 21 toelichten waarom het hebben van werk belangrijk wordt gevonden voor individu en samenleving. Domein C.: Massamedia Subdomein: massacommunicatie De kandidaat kan
- 22 het begrip massamedia omschrijven en verschillende soorten massamedia herkennen; (Met gebruikmaking van het begrip (massa)communicatie.)
- 23 functies van massamedia noemen en in voorbeelden herkennen;
- 24 toelichten dat massamedia een belangrijke betekenis hebben voor: Subdomein: mediabeleid De kandidaat kan
- cultuuroverdracht,
- democratische besluitvorming,
- vrijetijdsbesteding.
- 25 toelichten welk beleid de overheid in ons land voert op het gebied van de massamedia; (Met gebruikmaking van het begrip pluriformiteit.)
- 26 politieke visies op het mediabeleid herkennen. Subdomein: commercialisering De kandidaat kan
- 27 een verband leggen tussen massamedia en commercie;
- 28 bij de media in onze samenleving de betekenis van persconcentratie en monopolievorming herkennen. Subdomein: selectie De kandidaat kan
- 29 kanttekeningen plaatsen bij het nieuwsaanbod uit en over de derde wereld;
- 30 toelichten dat: Subdomein: cultuuroverdracht De kandidaat kan
- de inhoud en vorm van een dagblad en
- de samenstelling, inhoud en vorm van televisieprogramma's het resultaat zijn van selectieprocessen. (Met gebruikmaking van de begrippen: selectieve waarneming, referentiekader.)
- 31 met voorbeelden verduidelijken dat media een rol vervullen bij de overdracht van waarden, normen, cultuur, vooroordelen en stereotypen; (Met gebruikmaking van de begrippen: selectieve waarneming, referentiekader.)
- 32 toelichten wat de rol is van de massamedia in de beeldvorming over maatschappelijke verschijnselen; (Met gebruikmaking van de begrippen: waarden, normen, vooroordelen, stereotypen, socialisatie.)
- 33 opvattingen over de invloed van media noemen en in voorbeelden herkennen. Subdomein: pluriformiteit De kandidaat kan
- 34 toelichten wat wordt bedoeld met de pluriformiteit van de massamedia; (Met gebruikmaking van de begrippen: pluriformiteit, verzuiling, ontzuiling.)
- 35 toelichten wat de betekenis van verzuiling en ontzuiling is voor de media;
- 36 de op Nederland gerichte omroeporganisaties met elkaar vergelijken;
- 37 verschillende landelijke dagbladen met elkaar vergelijken aan de hand van hun politieke en/of levensbeschouwelijke achtergrond of kleur. Domein D.: De multi-culturele samenleving Subdomein: ontstaan De kandidaat kan
- 38 uitleggen wat wordt bedoeld met een multiculturele samenleving; (Met gebruikmaking van de begrippen: migratie, allochtonen, autochtonen, etnische/culturele minderheden.)
- 39 van de grootste groepen allochtonen in Nederland de motieven noemen die meestal een rol hebben gespeeld bij hun migratie naar Nederland;
- 40 sociale en politieke problemen herkennen die samenhangen met het multiculturele karakter van onze samenleving. Subdomein: minderhedenbeleid De kandidaat kan
- 41 opvattingen en belangen herkennen die een rol spelen in de discussie over het overheidsbeleid voor allochtonen. (Met gebruikmaking van de begrippen: minderheden, integratie.) Subdomein: sociale positie van allochtonen De kandidaat kan
- 42 toelichten dat onderwijs en arbeid van grote invloed zijn op de positie van groepen in onze samenleving; (Met gebruikmaking van het begrip sociale positie.)
- 43 de positie van allochtonen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt schetsen en belemmeringen en mogelijkheden noemen voor een verbetering van die positie. Subdomein: cultuurverschillen De kandidaat kan
- 44 overeenkomsten en verschillen in cultuur binnen het autochtone en allochtone deel van de Nederlandse samenleving noemen; (Met gebruikmaking van de begrippen: cultuur, subcultuur, socialisatie.)
- 45 voorbeelden noemen en herkennen van cultuurverschillen en -overeenkomsten van de belangrijkste allochtone groepen in Nederland voor verschillende aspecten van het dagelijks leven;
- 46 met voorbeelden duidelijk maken dat waarden, normen en gewoonten van autochtonen en allochtonen kunnen veranderen als deze groepen met elkaar in aanraking komen. Subdomein: beeldvorming De kandidaat kan
- 47 toelichten dat ons oordeel over anderen beïnvloed wordt door de eigen culturele achtergrond; (Met gebruikmaking van de begrippen: vooroordelen, stereotypen, discriminatie, racisme.)
- 48 verduidelijken welke rol vooroordelen spelen bij de beeldvorming over andere culturen;
- 49 discriminatie en racisme herkennen en factoren noemen die het ontstaan van deze verschijnselen in de hand werken. Domein E.: Rechtsstaat en criminaliteit Subdomein: rechtsstaat De kandidaat kan
- 50 Nederland als een rechtsstaat typeren;
- 51 toelichten wat de betekenis van regels is voor het samenleven van mensen. (Met gebruikmaking van de begrippen: rechtsstaat, grondrechten, machtenscheiding.) Subdomein: beleid en criminaliteit De kandidaat kan
- 52 de aard en omvang van criminaliteit als sociaal en politiek probleem schetsen;
- 53 typeren op welke wijze de overheid betrokken is bij het voorkomen, signaleren en bestrijden van criminaliteit;
- 54 beschrijven waar in ons land is vastgelegd wat strafbaar gedrag is. Subdomein: strafrecht De kandidaat kan
- 55 de uitgangspunten van het Nederlandse strafrecht herkennen en beschrijven; (Met gebruikmaking van de begrippen: rechtsregels/wetgeving, justitie, rechtspraak.)
- 56 verschillende vormen van strafbaar gedrag onderscheiden, verschillende soorten straffen noemen en een mening geven over het nut van bepaalde straffen;
- 57 bepalingen uit het strafrecht noemen die betrekking hebben op jongeren;
- 58 taken van de officier van justitie en van de politie onderscheiden;
- 59 beschrijven hoe de strafrechtspraak is georganiseerd, wat de rechten van een verdachte zijn en hoe een rechtszitting verloopt. Subdomein: criminaliteit en samenleving De kandidaat kan
- 60 maatschappelijke organisaties noemen die betrokken zijn bij criminaliteit en rechtspraak en beschrijven welke belangen daarbij een rol spelen;
- 61 de visies van politieke partijen op de aanpak van criminaliteit herkennen; (Met gebruikmaking van de begrippen: sociaal milieu, sociale controle, (sub)cultuur.)
- 62 beschrijven welke gevolgen criminaliteit heeft voor burger en samenleving, en hoe burgers en bedrijven proberen om criminaliteit te voorkomen;
- 63 voorbeelden geven van het feit dat criminaliteit een tijd- en plaatsgebonden begrip is;
- 64 beschrijven wat de rol is van de massamedia in de beeldvorming over criminaliteit in de samenleving;
- 65 verschillende visies op het ontstaan van criminaliteit toepassen bij het geven van verklaringen over het ontstaan of de toename ervan, en daarbij ook een mening geven over de gewenste aanpak. (Met gebruikmaking van de begrippen: relatie met sociale categorieën, grote en kleine criminaliteit.)