Bijlage 11 Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.
Examenprogramma HANDVAARDIGHEID I (HANDENARBEID) eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o-C Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt. 2. Het centraal examen Het centraal examen heeft betrekking op de vaardigheden 3 en 4 en op de eindtermen 19 tot en met 23 en omvat vragen en opdrachten betreffende beeldend werk uit de periode van 1800 tot heden. Het beeldmateriaal bestaat uit: 3. Het schoolonderzoek Het schoolonderzoek omvat alle vaardigheden en de eindtermen 1 tot en met 18. Aanwijzingen C en D Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten. Examenstof De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen. 1. Vaardigheden De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen: De kandidaat kan 2. Eindtermen Domein A.: Beeldende problemen de kandidaat kan hiervoor twee- en driedimensionele beeldende oplossingen vinden met toepassing van de werkwijzen: naar de waarneming, naar de voorstelling, gericht op toepassing De kandidaat kan
- een voor de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen) gemeenschappelijk deel
- een vakspecifiek deel.
- 1. problemen oplossen bij het ontwerpen en maken van beeldend werk;
- 2. een aantal basistechnieken van het vak hanteren;
- 3. met behulp van vakspecifieke begrippen reflecteren op beeldend werk;
- 4. met behulp van vakspecifieke begrippen een beargumenteerd standpunt formuleren over beeldend werk.
- 1 relevante kenmerken van wat waargenomen wordt, zichtbaar maken in eigen werk;
- 2 naar aanleiding van een gegeven ervaringen, gevoelens, ideeën en/of meningen zichtbaar maken in eigen werk;
- 3 beeldend werk maken dat voldoet aan praktische gebruikseisen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met één of meer eisen ten aanzien van: Domein B.: Beeldende middelen de kandidaat kent deze middelen en kan daarvan enkele toepassen Subdomein: beeldende aspecten De kandidaat kan
- het communicatieve aspect: informatie, verwijzing, instructie, verklaring;
- het wervend aspect: bereik van de doelgroep;
- het decoratieve aspect.
- 4 beeldende aspecten toepassen;
- 5 beeldende aspecten zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk. Subdomein: technieken De kandidaat kan
- 6 modelleer-, verspanende en constructietechnieken toepassen;
- 7 materialen, technieken en gereedschappen zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk. Subdomein: voorstellingsaspecten De kandidaat kan
- 8 algemene conventies en symbolen zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk. Domein C.: Werkproces de kandidaat kan op een doelgerichte wijze beeldend werk maken De kandidaat kan
- 9 kenmerken van wat waargenomen wordt verkennen en ordenen door middel van schetsen;
- 10 mogelijkheden van de beeldende middelen onderzoeken, waarbij zowel volgens instructie als experimenterend te werk gegaan kan worden;
- 11 de resultaten van verkennen en onderzoek selecteren en toepassen in het eigen eindwerkstuk;
- 12 het ontstaansproces van het eigen beeldend werk in woord en/of beeld illustreren;
- 13 uit het eigen beeldend werk op basis van vooraf gestelde criteria een selectie maken en deze op een verzorgde wijze presenteren;
- 14 bij de beoordeling van eigen beeldend werk vooraf gestelde criteria toepassen;
- 15 de keuzes beargumenteren die in eigen beeldend werk gemaakt zijn in relatie tot vooraf gestelde criteria. Domein D.: Beschouwen de kandidaat kan op een gestructureerde wijze beelden beschouwen Subdomein: eigen beeldend werk De kandidaat kan
- 16 verbanden tussen inhoud en vorm in eigen beeldend werk benoemen of illustreren;
- 17 verbanden tussen functie en vorm in eigen beeldend werk benoemen of illustreren;
- 18 overeenkomsten en verschillen tussen eigen beeldend werk en dat van anderen herkennen, benoemen of illustreren, en verklaren. Subdomein: beeldend werk van anderen De kandidaat kan
- 19 beeldende middelen herkennen en relevante kenmerken ervan benoemen;
- 20 in woord en beeld illustreren dat waarneming en beeldend werk worden beïnvloed door stemming, voorkeur, vooroordeel en oefening;
- 21 een oordeel over de functionaliteit van een beeld beargumenteren;
- 22 stijlen herkennen en dateren en relevante kenmerken ervan benoemen;
- 23 inhoud, functie en vorm van door kunstenaars en vormgevers gemaakt beeldend werk in verband brengen met:
- de gebruikte middelen;
- de plaats en tijd van ontstaan;
- aspecten van de culturele context.