Bijlage IV Regeling wijze van keuren APK: behorend bij artikel 6
Keuringseisen Wijze van keuren 0. Algemeen Artikel 5.12.1 onderdeel a. Controle hierop moet reeds voorafgaand aan de keuring hebben plaatsgevonden. onderdeel b. Visuele controle. onderdeel c. Geen controle. onderdeel d. Geen controle van het goedkeuringsmerk; visuele controle van de bevestiging. onderdeel e. Visuele controle, waarbij de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter de aanhangwagen staat. 1. Algemene bouwwijze van het voertuig Artikel 5.12.3 lid 1. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien sprake is van corrosie geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. lid 2. – Artikel 5.12.4 lid 1. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. lid 2. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien sprake is van corrosie geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. Artikel 5.12.5 Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. 2. Afmetingen en massa's Artikel 5.12.6 Leden 1 en 2. De aanhangwagen wordt gemeten; de lengte mag niet meer dan 1,0% afwijken. Artikel 1.2 van het Voertuigreglement is van toepassing. Leden 3, 4 en 5. Leden 6 en 7. De aanhangwagen wordt gemeten. Artikel 1.2 van het Voertuigreglement is van toepassing. Lid 8. De aanhangwagen wordt gemeten. Artikel 1.2 van het Voertuigreglement is van toepassing. Lid 9. Visuele controle. Artikel 5.12.7 Leden 1 t/m 3. In geval van buitensporige wijziging van de inrichting wordt aanhangwagen gewogen. 5. Assen Artikel 5.12.18. lid 1. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en, indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in hoofd
- 1. De afstand tussen het hart van de koppeling en enig deel aan de voorzijde van de oplegger wordt in geval van twijfel gemeten.
- 2. De afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger wordt gemeten. Artikel 1.2 van het Voertuigreglement is van toepassing.
- 1. De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing.
- 2. Voor het zichtbaar maken van:
- a. axiale speling van fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel ontlast en op en neer bewogen dan wel ontlast en langzaam weer belast;
- b. radiale speling van fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel gedeeltelijk ontlast en handmatig dan wel met behulp van een spelingsdetector bewogen;
- c. axiale en radiale speling van fuseekogels en overige kogelgewrichten wordt elke kogel ten opzichte van de draagarm in elke richting bewogen; bij deze controle moet de stand van de wielophanging zoveel mogelijk overeenkomen met de rijpositie en moeten de kogels zoveel mogelijk onbelast zijn;
- d. radiale speling van de overige draaipunten wordt elk draaipunt in radiale richting ten opzichte van de bevestiging bewogen met behulp van een spelingsdetector dan wel handmatig.
- 3. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
- 4. Op de speling zijn de artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.4 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
- 1. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
- 2. Voor de controle van de speling moet elk wiel vrij kunnen ronddraaien en wordt elk wiel met de hand of met behulp van een hefboom, bijvoorbeeld een koevoet, haaks op de draairichting bewogen.
- 3. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
- 4. De meting vindt plaats op een zo groot mogelijke afstand van de hartlijn van de as.
- 5. Bij bestuurde wielen moet: worden gemeten.
- a. één maal in ongeremde toestand, voor de bepaling van de speling van de wiellager en de fusee tezamen, en
- b. b. één maal in geremde toestand, voor de bepaling van de speling van de fusee,
- 6. Het verschil tussen de in punt 5 bedoelde waarden is de wiellagerspeling.
- 7. Op de speling is artikel 2.5.5 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
- 1. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
- 2. Voor het zichtbaar maken van:
- a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast;
- b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.
- 3. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
- 4. Op de speling is artikel 2.7.3 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
- 1. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
- 2. Het zichtbaar maken van de speling geschiedt op de volgende wijze:
- a. door middel van een hefboom of koevoet, dan wel
- b. door het chassis te heffen.
- 3. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
- 1. Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaars mag afwijken.
- 2. Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld, waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat. De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd:
- a. de stand waarin de regelaars zich bevinden behorende bij de vastgestelde aslast, en
- b. de stand van de regelaars wanneer deze de volle druk doorsturen, voorzover dit mogelijk is zonder demontage.
- 3. 3. Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast niet kan worden vastgesteld, vindt een globale controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld. Bij een niet maximaal belaste as wordt de werking van de regelaars gecontroleerd door:
- a. de druk te meten die de regelaars doorsturen in de stand waarin deze zich dan bevindt;
- b. de afstelling te meten van de stand waarin de regelaars de volle druk doorsturen, voorzover mogelijk zonder demontage. De gemeten druk, volgens punt b, moet hoger zijn dan de vastgestelde druk volgens punt a. Indien de betreffende as nagenoeg maximaal is belast, mag de gemeten druk, volgens punt b, gelijk zijn aan de vastgestelde druk volgens punt a.
- a. Er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber.
- b. Ter plaatse van de slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
- a. Er wordt gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber.
- b. Ter plaatse van de slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
- a. Er wordt gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber.
- b. Ter plaatse van de slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.