Bijlage III Regeling wijze van keuren APK: behorende bij artikel 5
Keuringseisen Wijze van keuren 0. Algemeen Artikel 5.5.1 onderdeel a. Controle hierop moet reeds voorafgaand aan de keuring hebben plaatsgevonden. onderdeel b. Visuele controle. onderdeel c. Geen controle van het goedkeuringsmerk; visuele controle van de bevestiging. onderdeel d. Visuele controle, waarbij de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het driewielig motorrijtuig staat. 1. Algemene bouwwijze van het voertuig Artikel 5.5.3 lid 1. Visuele controle. Indien sprake is van corrosie geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. lid 2. Visuele controle. Bij twijfel in hoeverre een onderdeel is doorgeroest, mag de roest in lichte mate worden beklopt met een hamertje met bolle of afgeronde kop. lid 3. Visuele controle. lid 4. – Artikel 5.5.4 Visuele controle. 2. Afmetingen en massa's Artikel 5.5.6 In geval van twijfel wordt het driewielige motorrijtuig gemeten, waarbij artikel 1.2 van het Voertuigreglement van toepassing is. 3. Motor Artikel 5.5.7 leden 1 en 2 Visuele controle. In geval van twijfel wordt het driewielige motorrijtuig gewogen. Artikel 5.5.9 lid 1. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in hoofdstuk 2, titel 2, van de Regeling permanente eisen. lid 2. lid 3. Visuele controle. Artikel 5.5.10 lid 1. – leden 2, 3, en 4, onderdelen a, b, c en d. Visuele controle. lid 4, onderdeel e. Visuele controle, zo nodig terwijl het driewielig motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, word
- 1. Visuele controle met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor.
- 2. Indien het driewielige motorrijtuig is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het kentekenbewijs. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op de achterzijde van het keuringsrapport. Een LPG-installatie wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
- 1. De afleesbaarheid wordt visueel gecontroleerd, waarbij de verlichting wordt ingeschakeld.
- 2. Indien op grond van een ander keuringsvoorschrift een rijproef wordt uitgevoerd, wordt daarbij de werking van de snelheidsmeter gecontroleerd.
- 1. Visuele controle.
- a. axiale speling van fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel ontlast en op en neer bewogen dan wel ontlast en langzaam weer belast;
- b. radiale speling van fuseepennen, -lageringen en -bussen wordt elk wiel gedeeltelijk ontlast en handmatig dan wel met behulp van een spelingsdetector bewogen;
- c. axiale en radiale speling van fuseekogels en overige kogelgewrichten wordt elke kogel ten opzichte van de draagarm in elke richting bewogen; bij deze controle moet de stand van de wielophanging zoveel mogelijk overeenkomen met de rijpositie en moeten de kogels zoveel mogelijk onbelast zijn;
- d. radiale speling van de overige draaipunten wordt elk draaipunt in radiale richting ten opzichte van de bevestiging bewogen met behulp van een spelingsdetector dan wel handmatig.
- 2. Voor het zichtbaar maken van:
- 3. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
- 4. Op de speling zijn de artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.4 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
- 1. Visuele controle.
- 2. Voor de controle van de speling moet elk wiel vrij kunnen ronddraaien en wordt elk wiel met de hand of met behulp van een hefboom, bijvoorbeeld een koevoet, haaks op de draairichting bewogen.
- 3. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
- 4. De meting vindt plaats op een zo groot mogelijke afstand van de hartlijn van de as.
- 5. Bij bestuurde wielen moet: worden gemeten.
- a. één maal in ongeremde toestand, voor de bepaling van de speling van de wiellager en de fusee tezamen, en
- b. één maal in geremde toestand, voor de bepaling van de speling van de fusee,
- 6. Het verschil tussen de in punt 5 bedoelde waarden is de wiellagerspeling.
- 7. Op de speling is artikel 2.5.5 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
- 1. Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van:
- a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust;
- b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.
- 2. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
- 3. Op de speling is artikel 2.7.3 van de Regeling permanente eisen van toepassing.
- 1. Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
- 2. Visuele controle van de remkrachtregelaar, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast.
- a. indien het remvloeistofreservoir is voorzien van een vlotter wordt deze omlaag gedrukt dan wel de dop losgeschroefd en opgelicht;
- b. het contact wordt ingeschakeld, waarbij indien noodzakelijk de motor wordt gestart, en de parkeerrem wordt aangetrokken;
- c. de daartoe bestemde schakelaar wordt bediend.
- 1. De controle moet plaatsvinden door middel van een beproeving op de weg. Bij twijfel wordt met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter de vertraging gemeten.
- 2. De banden van het driewielige motorrijtuig moeten op de juiste spanning zijn.
- 3. De snelheid moet bij de aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen.
- 4. Bij gebruik van een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter moet de bij de remproef behaalde remvertraging als volgt worden vastgesteld:
- a. indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging;
- b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
- c. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
- 1º. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
- 2º. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.
- 1. De stand van de lichtbundel van het dimlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat, waarbij het driewielige motorrijtuig en het koplamptestapparaat op een vlakke en horizontale vloer zijn geplaatst.
- 2. Bij de controle bedoeld in punt 1 moeten
- a. de voorwielen in de stand van rechtuitrijden staan,
- b. de banden op de juiste spanning zijn, en moet
- c. de handrem los staan.
- 3. Indien het driewielige motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet tijdens de controle deze afstelinrichting staan op de stand die overeenkomt met de beladingstoestand.
- 4. Indien het driewielige motorrijtuig is uitgerust met een automatische niveauregeling, wordt de controle uitgevoerd met stationair draaiende motor. Een eventuele bedieningsmogelijkheid moet in de normale rijstand staan.
- – de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat of
- – de geprojecteerde verticale hartlijn van de koplamp op het verlichtingsscherm.