Bijlage I Besluit produktie en handel vlees van vrij wild
Besluit produktie en handel vlees van vrij wild
Vrij-wildverwerkingsinrichtingen moeten ten minste zijn voorzien van: 1. de volgende lokalen: 2. voor lokalen waar vlees wordt verkregen, behandeld en opgeslagen, alsmede in zones en in gangen waarin vlees wordt vervoerd: 3. 4. passende voorzieningen ter bescherming tegen schadelijke dieren zoals insecten of knaagdieren; 5. 6. een koelinstallatie om het vlees constant op de bij dit besluit voorgeschreven inwendige temperatuur te houden. Deze installatie moet een afvoersysteem bevatten waardoor condensatiewater zonder enig gevaar voor besmetting van het vlees kan worden afgevoerd; 7. een installatie die onder druk een voldoende hoeveelheid drinkwater dat voldoet aan de in de bijlagen D en E van richtlijn nr. 80/778/EEG1Richtlijn nr. 80/778/EEG van 15 juli 1980 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd waren (PB nr. L229 van 30-08-1980, blz. 11)Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn nr. 90/656/EEG (PB nr. L353 van 17-12-1990, blz. 59). vermelde parameters kan leveren. Bij wijze van uitzondering kan evenwel een installatie met niet-drinkbaar water worden toegelaten voor de produktie van stoom, voor brandbestrijding of voor het koelen van koelinstallaties, op voorwaarde dat de daartoe aangebrachte leidingen het gebruik van dit water voor andere doeleinden onmogelijk maken en geen gevaar voor besmetting van het vlees opleveren. De leidingen voor niet-drinkbaar water moeten goed kunnen worden onderscheiden van de drinkwaterleidingen; 8. een installatie die warm drinkwater in de zin van richtlijn nr. 80/778/EEG in voldoende hoeveelheden levert; 9. een voorziening voor de afvoer van vloeibare en vaste afvalstoffen, die aan de eisen van de hygiëne voldoet; 10. een adequaat ingericht afsluitbaar lokaal dat uitsluitend ter beschikking van de veterinaire dienst staat of aangepaste voorzieningen in de opslagruimten; 11. voorzieningen die het mogelijk maken de in deze richtlijn voorgeschreven keuring te allen tijde op doelmatige wijze uit te voeren; 1
- - een voldoende groot gekoeld lokaal voor het in ontvangst nemen van gehele stukken vrij wild,
- - een lokaal voor het keuren en, voor zover nodig, het ontweien en onthuiden,
- - een voldoende groot lokaal voor het uitsnijden en het onmiddellijk verpakken, voor zover dat in de inrichting plaatsvindt; dit lokaal moet voldoende kunnen worden gekoeld en uitgerust zijn met een temperatuurmeter,
- - een lokaal voor de eindverpakking en de verzending, voor zover zulks in de inrichting plaatsvindt en voldaan wordt aan de voorwaarden van hoofdstuk VIII, punt 5, van het onderhavige besluit; indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, een apart lokaal voor de verzending,
- - voldoende grote koel- en vriesruimten voor de opslag van vlees van vrij wild;
- a. vloeren uit ondoordringbaar, gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten materiaal, die niet kunnen roKen en zo zijn aangelegd dat het water gemakkelijk kan wegvloeien naar met een rooster bedekte en van stankafsluiting voorziene zinkputten, om geuren te voorkomen. Evenwel
- - kan in koel- en vriesruimten worden volstaan met een inrichting waardoor het water gemakkelijk kan worden afgevoerd;
- - kan in opslagruimten alsmede in zones en in gangen waarin vlees wordt vervoerd, worden volstaan met vloeren uit ondoordringbaar materiaal die niet kunnen rotten;
- b. gladde, duurzame en ondoordringbare wanden die van een heldere, afwasbare bekleding zijn voorzien tot een hoogte van ten minste twee meter en in koel- en vriesruimten of opslagruimten ten minste tot de hoogte waarop het vlees wordt opgeslagen. De overgang van vloer naar wanden en de overgang van de wanden onderling moet rond of op een soortgelijke wijze zijn afgewerkt, behalve voor opslagruimten. Het gebruik van houten wanden in opslagruimten van vrijwildverwerkingsinrichtingen die op 23 juli 1992 reeds in bedrijf zijn, is echter geen reden voor het niet verlenen van de erkenning;
- c. deuren van bestendig materiaal; houten deuren moeten op alle vlakken voorzien zijn van een gladde ondoordringbare bekleding;
- d. reukloos isolatiemateriaal dat niet kan roKen;
- e. voldoende luchtverversing en een goede afvoer van damp;
- f. voldoende verlichting, door daglicht of door kunstlicht, waardoor de kleur niet verandert;
- g. een schoon en gemakkelijk schoon te houden plafond; bij ontstentenis daarvan moet het binnenoppervlak van de dakbedekking aan deze voorwaarden voldoen;
- a. voldoende voorzieningen, zo dicht mogelijk bij de plaatsen waar de arbeid wordt verricht, voor het wassen en ontsmetten van de handen en voor het reinigen van het materieel met warm water. De kranen mogen niet met de hand kunnen worden bediend. De installaties voor het wassen van de handen moeten voorzien zijn van koud en warm stromend water of van vooraf op een passende temperatuur gemengd water, van was- en ontsmettingsmiddelen alsmede van hygiënische voorzieningen voor het drogen van de handen;
- b. voorzieningen voor het ontsmetten van het gereedschap met water dat een temperatuur moet hebben van ten minste 82°C;
- a. voorzieningen en werktuigen, zoals tafels voor het uitsnijden, verplaatsbare uitsnijbladen, bakken, transportbanden en zagen van corrosiebestendig materiaal, die het vlees niet kunnen aantasten en gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten zijn. Oppervlakken die met vlees in aanraking komen of kunnen komen, inclusief lasnaden en voegen, moeten glad worden gehouden. Het gebruik van hout is verboden behalve in lokalen waar zich uitsluitend vlees bevindt dat op hygiënische wijze van een eindverpakking is voorzien;
- b. corrosiebestendige werktuigen en apparatuur die aan de eisen van de hygiëne voldoen en bestemd zijn voor:
- - het interne transport van het vlees;
- - het neerzetten van de bakken die voor het vlees worden gebruikt, op zodanige wijze dat noch het vlees, noch de bakken rechtstreeks met de vloer of de wanden in aanraking kunnen komen;
- c. apparatuur voor hygiënisch intern transport en bescherming van het vlees tijdens het laden en lossen, inclusief adequaat ingedeelde en ingerichte aanvoer- en sorteerruimten;
- d. speciale ondoordringbare bakken van bestendig materiaal, met een deksel en een sluiting om te verhinderen dat onbevoegden er iets kunnen uitnemen, voor vlees dat niet is bestemd voor menselijke consumptie, of een afsluitbaar lokaal voor dit vlees, indien daarvan zo grote hoeveelheden bestaan dat een dergelijk lokaal noodzakelijk is of indien het niet aan het einde van iedere werkdag wordt opgehaald of vernietigd. Wanneer dit vlees door leidingen wordt afgevoerd, moeten deze zodanig zijn gebouwrl en geplaatst dat gevaar voor besmetting van vlees wordt voorkomen;
- e. apparatuur voor de hygiënische opslag van verpakkingsmateriaal, wanneer het vlees in de inrichting wordt voorzien van een onmiddellijke of een eindverpakking;
- a. Het personeel dat vlees hanteert of dat werkzaam is in lokalen of zones waar vlees wordt gehanteerd, van een eindverpakking wordt voorzien of wordt vervoerd, dient in het bijzonder schone en gemakkelijk te reinigen hoofddeksels en schoeisel, lichtkleurige werkkleding en, zo nodig, een nekbeschermer of andere beschermende kleding te dragen. Het bij het bewerken of hanteren van vlees betrokken personeel moet bij het begin van elke werkdag schone werkkleding dragen en deze kleding zo nodig in de loop van de dag verschonen. Voorts moet het personeel verscheidene malen per dag en telkens vóór de hervatting der werkzaamheden zijn handen wassen en ontsmetten. Personen die met stukken ziek wild of besmet vlees in aanraking zijn gekomen, dienen onverwijld handen en armen grondig met warm water te wassen en te ontsmetten. In de werklokalen en opslagruimten, de laad-, aanvoer-, sorteer- en loszones, alsmede in andere zones en in gangen waar vlees van vrij wild wordt vervoerd, mag niet worden gerookt.
- b. Geen enkel dier mag een inrichting binnenkomen. Knaagdieren, insekten en andere ongedierte moeten stelselmatig worden verdelgd.
- c. Materieel en instrumenten die bij de bewerking van vlees worden gebruikt, dienen in een goede staat van onderhoud en reinheid te worden gehouden. Zij moeten verscheidene malen per werkdag, bij het einde van de dagelijkse werkzaamheden en alvorens opnieuw te worden gebruikt nadat zij zijn verontreinigd, zorgvuldig worden gereinigd en ontsmet.
- - grof vrij wild moet worden opengesneden en ontweid,
- - als zij van het karkas zijn losgemaakt moeten de ingewanden van de borstkas evenals de lever en de milt, het gehele stuk wild tot de vrij-wildverwerkingsinrichting vergezellen en zodanig zijn geïdentificeerd dat de keuringsdierenarts de keuring post mortem van de ingewanden samen met de rest van het karkas kan uitvoeren; de andere ingewanden van de buik moeten ter plaatse worden uitgesneden en gekeurd. Het hoofd mag worden afgesneden om als jachttrofee te dienen.
- - de gehele stukken vrij wild onder bevredigende hygiënische omstandigheden naar een vrij-wildverwerkingsinrichting moeten worden vervoerd, waarbij met name opeenhoping van de stukken moet worden voorkomen; een en ander moet zo spoedig mogelijk na de in punt 1 bedoelde bewerkingen geschieden;
- - bij het vervoer naar de verwerkingsinrichting moeten de gehele stukken vrij wild waarvan de ingewanden reeds aan een veterinaire keuring zijn onderworpen, vergezeld gaan van een verklaring van de dierenarts waaruit blijkt dat die keuring een gunstig resultaat heeft opgeleverd en waarin het vermoedelijke tijdstip van het doden wordt vermeld.
- a. Het vlees van vrij wild moet volgens de behoeften in de werklokalen worden binnengebracht. Zodra het uitsnijden en eventueel de eindverpakking hebben plaatsgehad, moet het vlees worden vervoerd naar een passende koel- of vriesruimte.
- b. Het vlees van vrij wild dat in een uitsnijlokaal wordt binnengebracht, moet worden gecontroleerd en zo nodig worden bijgesneden. De werkplek waar deze bewerkingen worden uitgevoerd, moet zijn uitgerust met passende voorzieningen en voldoende verlichting.
- c. Tijdens het uitsnijden, het uitbenen, de onmiddellijke en de eindverpakking moet het vlees van vrij wild constant op een inwendige temperatuur worden gehouden van niet meer dan 7°C. Tijdens het uitsnijden mag de temperatuur in het uitsnijlokaal niet hoger zijn dan 12°C.
- d. Het uitsnijden moet zodanig worden verricht dat iedere verontreiniging van het vlees van vrij wild wordt voorkomen. Beensplinters en bloedklonters moeten worden verwijderd. Uitgesneden vlees van vrij wild dat niet is bestemd voor menselijke consumptie, moet telkens worden bijeengebracht in de in hoofdstuk I, punt 5, onder d), bedoelde apparatuur. bakken of lokalen.
- a. visueel onderzoek van het stuk vrij wild en de daarbij behorende organen. Indien aan de hand van de resultaten van het visuele onderzoek geen beoordeling kan plaatsvinden, moet een nadere keuring in een laboratorium worden verricht. De nadere keuring kan beperkt blijven tot een aantal steekproeven dat voldoende is voor de beoordeling van de gehele jachtbuit;
- b. onderzoek naar afwijkingen in de consistentie, de kleur of de geur;
- c. palpatie van de organen, indien de dierenarts zulks nodig acht;
- d. steekproefsgewijs onderzoek op residuen, met name bij ernstige gegronde verdenking. Indien ingevolge ernstige verdenking een nadere keuring wordt uitgevoerd, moet de uitslag van deze keuring worden afgewacht alvorens over te gaan tot de beoordeling van het gedode wild van dezelfde jachtbuit of van delen daarvan, waarvan gezien de omstandigheden kan worden aangenomen dat zij dezelfde afwijkingen vertonen;
- e. onderzoek naar verschijnselen die erop duiden dat het vlees vanuit het oogpunt van de gezondheid een gevaar oplevert. Van zulke verschijnselen is met name sprake in de volgende gevallen:
- i). door de jager gesignaleerde abnormale gedragingen en storingen van de algemene gezondheidstoestand van het levende dier;
- ii). gezwellen of abcessen indien deze in groten getale of verspreid in verschillende inwendige organen of in spieren voorkomen;
- iii). ontsteking van gewrichten of testikels, aantasting van lever of milt, ontsteking van de darmen of de navelstreek;
- iv). aanwezigheid van vreemde lichamen in de lichaamsholten, met name in de maag en de darmen of in de urine, wanneer het borstvlies of het buikvlies zijn verkleurd;
- v). ernstige gasvorming in het maag-darmkanaal met verkleuring van de inwendige organen;
- vi). ernstige afwijkingen van het spierstelsel of de organen qua kleur, consistentie of geur;
- vii). open beenbreuken, voor zover zij niet rechtstreeks met het jagen verband houden;
- viii). algehele of plaatselijke cachexie en/of hydrohemie;
- ix). verse vergroeiingen van organen met het borstvlies of het buikvlies;
- x). andere ernstige duidelijk waarneembare veranderingen, zoals ontbinding.
- - dat laesies, met uitzondering van verse laesies ontstaan door het doden, misvormingen of plaatselijk begrensde afwijkingen vertoont voor zover die laesies, misvormingen of afwijkingen de hygiënische kwaliteit van het vlees van vrij wild aantasten of een gevaar inhouden voor de menselijke gezondheid;
- - dat afkomstig is van dieren die niet overeenkomstig de Jachtwet zijn gedood;
- - waarop bij de keuring post mortem de in punt 3, onder e), genoemde constateringen zijn gedaan;
- - waarop trichinose is geconstateerd.
- - het controleren van het binnenkomende en uitgaande vlees;
- - de keuring van het vlees dat aanwezig is in de verwerkingsinrichtingen;
- - de keuring van het vlees vóór het uitsnijden en bij de afvoer van de verwerkingsinrichtingen;
- - het controleren van de reinheid van de lokalen, installaties en werktuigen, bedoeld in hoofdstuk I, alsmede van de hygiëne van het personeel, inclusief de kleding;
- - elke andere controle die hij nuttig acht voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit besluit.
- a. de voor het merken van het vlees bestemde instrumenten, die hij pas op het tijdstip van het merken en voor de hiertoe benodigde tijd aan zijn assistenten ter hand stelt;
- b. de etiketten en het materiaal voor de onmiddellijke verpakkingen wanneer deze reeds zijn voorzien van een van de in punt 2 bedoelde merken. Deze etiketten en dit materiaal voor de onmiddellijke verpakkingen en de sluiting worden, op het ogenblik waarop zij moeten worden gebruikt, door de keuringsdierenarts in het benodigde aantal aan de assistenten overhandigd.
- a. Het keurmerk moet zijn:
- i). een vijfhoekig merk met, in duidelijk leesbare letters, de volgende gegevens:
- - in het bovenste gedeelte, de naam voluit of het kenteken van het land van verzending van het vlees in hoofdletters: voor Nederland is dat: NL;
- - in het midden, het veterinair erkenningsnummer van de vrij-wildverwerkingsinrichting of, in voorkomend geval, de uitsnijderij;
- - in het onderste gedeelte de afkorting EEG of EVA of de afkorting aan de hand waarvan het land van oorsprong kan worden geïdentificeerd. De hoogte van de letters en cijfers moet overeenstemmen met de eisen van bijlage I, hoofdstuk XI, van richtlijn 64/433/EEG;
- ii). een vijfhoekig stempel dat voldoende groot is om er de onder a. genoemde gegevens op aan te brengen.
- b. Het voor het merken gebruikte materiaal moet aan de hygiënevoorschriften voldoen en de onder a. bedoelde gegevens moeten daarop duidelijk leesbaar zijn aangebracht.
- c.
- i). Het onder a. bedoelde keurmerk moet worden aangebracht:
- - op de karkassen als zodanig door middel van een stempel met de onder a. genoemde gegevens;
- - op of, zichtbaar, onder de omhulsels of andere verpakkingen bij karkassen in eindverpakking;
- - op of, zichtbaar, onder de omhulsels of andere verpakkingen bij delen van karkassen die in kleine hoeveelheden van een onmiddellijke verpakking zijn voorzien.
- ii). Het onder a., ii) bedoelde keurmerk moet worden aangebracht op grote eindverpakkingen.
- a. De eindverpakking (bijvoorbeeld kisten, kartonnen dozen) moet aan alle regels van de hygiëne voldoen, met name:
- - mag zij geen verandering kunnen brengen in de organoleptische eigenschappen van het vlees;
- - mag zij geen voor de gezondheid van de mens schadelijke stoffen op het vlees kunnen overbrengen;
- - moet zij voldoende stevig zijn om het vlees van vrij wild tijdens het vervoer en bij het hanteren een doeltreffende bescherming te bieden.
- b. De eindverpakking mag niet opnieuw als eindverpakking van vlees van vrij wild worden gebruikt, behalve wanneer zij bestaat uit gemakkelijk te reinigen corrosiebestendig materiaal, en vooraf gereinigd en ontsmet is.
- a. het lokaal moet voldoende groot zijn en zo zijn ingericht dat de bewerkingen hygiënisch kunnen worden uitgevoerd;
- b. de onmiddellijke en eindverpakking moet dadelijk na de fabricage worden verpakt in een hermetisch beschermend omhulsel, dat gedurende het vervoer naar de inrichting tegen schade wordt beschermd en moet in hygiënische omstandigheden in een afzonderlijk lokaal van de inrichting worden opgeslagen;
- c. de opslagruimte voor eindverpakkingsmateriaal moet vrij zijn van stof en ongedierte en mag geen luchtverbinding hebben met lokalen waarin zich stoffen bevinden die vlees kunnen besmetten. Eindverpakkingsmateriaal mag niet op de vloer worden opgeslagen;
- d. de eindverpakkingen moeten in hygiënisch verantwoorde omstandigheden gereedgemaakt worden voordat ze in het lokaal worden binnengebracht;
- e. de eindverpakkingen moeten op hygiënisch verantwoorde wijze in het lokaal worden binnengebracht en onverwijld worden gebruikt. Zij mogen niet worden gehanteerd door het personeel dat vlees hanteert;
- f. het vlees moet, meteen na het aanbrengen van de onmiddellijke verpakking, in de daarvoor bestemde opslagruimten worden opgeslagen.