Art. 3 MER, Activiteiten, plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapport verplicht is of ten aanzien waarvan de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de wet moeten worden toegepast
Besluit milieueffectrapportage (MER)
1. Als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 7.2a, tweede lid, van de wet, worden aangewezen de vaststelling of wijziging van een plan waarvoor bij de voorbereiding een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming en:
a. dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden indien:
1°. voor dat plan een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is;
2°. de omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is; en
3°. het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat de vaststelling of wijziging van dat plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft; of
b. waarbij sprake is van kleine wijzigingen van een plan en het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat die wijzigingen geen aanzienlijke milieueffecten hebben.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een plan dat betrekking heeft op een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet.
3. Het bevoegd gezag houdt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°, en onder b, rekening met de criteria van bijlage II bij Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PbEG 2001, L 197) en raadpleegt daarvoor:
a. de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, aangewezen op grond van artikel 7.2, derde of vierde lid, van de wet waarop het plan betrekking heeft; en
b. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan.
4. Het bevoegd gezag betrekt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder b, de context van het plan dat wordt gewijzigd en de mate van waarschijnlijkheid dat de wijzigingen aanzienlijke milieueffecten zullen hebben.
5. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°, en onder b, met de bijbehorende motivering op in het plan.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1054
- ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910
- ABRvS 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183
- ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1082
- ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:353
- ABRvS 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4966
- ABRvS 8 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3976
- ABRvS 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1578
- ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2700
- ABRvS 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3492
- ABRvS 5 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV8673
- ABRvS 12 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2965