Bijlage II Landbouwkwaliteitsregeling zuigelingenvoeding 1994: (Bij artikel 7, tweede lid, onder a, artikel 8, tweede lid, en artikel 16, eerste lid, onder c)
Landbouwkwaliteitsregeling zuigelingenvoeding 1994
De aangegeven waarden hebben betrekking op het gebruiksklare produkt. Minimaal Maximaal 250 kJ/100 ml 335 kJ/100 ml (60 kcal/100 ml) (80 kcal/100 ml) (Eiwitgehalte = stikstofgehalte × 6,38) voor koemelkeiwit, (Eiwitgehalte + stikstofgehalte × 6,25) voor soja-eiwitisolaten. Minimaal Maximaal 0,5 g/100 kJ 1 g/100 kJ (2,25 g/100 kcal) (4,5 g/100 kcal) Minimaal Maximaal 0,8 g/100 kJ 1,5 g/100 kJ (3,3 g/100 kcal) (6,5 g/100 kcal) Minimaal Maximaal 1,7 g/100 kJ 3,4 g/100 kJ (7 g/100 kcal) (14 g/100 kcal) Vitamine Min. per 100 kJ Max. per 100 kJ Min. per 100 kcal Max. per 100 kcal Vitamine A (μg-RE) 1RE = all-transretinol-equivalent 14 43 60 180 Vitamine D (μg) 2in de vorm van cholecalciferol, waarvan 10 μg = 400 i.e vitamine D. 0,25 0,75 1 3 Vitamine C (mg) 1,9 – 8 – Vitamine E (mgα-TE) 3α-TE = d-α-tocoferol-equivalent. 0,5/g – 0,5/g – meervoudig onverzadigde vetzuren, uitgedrukt als linolzuur, maar in geen geval minder dan 0,1 mg per 100 beschikbare kJ meervoudig onverzadigde vetzuren, uitgedrukt als linolzuur, maar in geen geval minder dan 0,5 mg per 100 beschikbare kcal De volgende nucleotiden mogen worden toegevoegd: Stof Max. in mg/100 kJ Max. in mg/100 kcal Cytidine-5'-monofosfaat 0,60 2,50 Uridine-5'-monofosfaat 0,42 1,75 Adenosine-5'-monofosfaat 0,36 1,50 Guanosine-5'-monofosfaat 0,12 0,50 Inosine-5'-monofosfaat 0,24 1,00 De totale nucleotide-concentratie mag maximaal 1,2 mg/100 kJ (5 mg/100 kcal) zijn.
- De chemische index van de aanwezige eiwitten is ten minste gelijk aan 80% van die van het referentie-eiwit (caseïne of moedermelkeiwit, zoals gedefinieerd in bijlage VI). Bij gelijkblijvende energiewaarde moet het product een beschikbare hoeveelheid methionine bevatten die ten minste gelijk is aan de hoeveelheid in moedermelk, zoals gedefinieerd in bijlage V.
- Onder ‘chemische index’ wordt verstaan de laagste waarde van de verhouding tussen de hoeveelheid van elk essentieel aminozuur van het onderzochte eiwit en de hoeveelheid van het overeenkomstige aminozuur van het referentie-eiwit.
- Voor opvolgzuigelingenvoeding, die uit soja-eiwit of een mengsel daarvan met koemelkeiwit is vervaardigd, worden alleen soja-eiwit-isolaten gebruikt,
- Aminozuren mogen om de voedingswaarde van de eiwitten te verhogen en de in voor dat doel noodzakelijke verhoudingen aan opvolgzuigelingenvoeding worden toegevoegd.
- 3.1 Gebruik van de volgende stoffen is verboden:
- sesamolie,
- katoenzaadolie,
- 3.2 Laurinezuur
- 3.3 Myristinezuur
- 3.4 Linolzuur (in de vorm van glyceriden = linoleaten)
- 3.5 Het gehalte aan trans-isomeren van vetzuren mag maximaal 4% van het totale vetgehalte zijn.
- 3.6 Het gehalte aan erucazuur mag maximaal 1% van het totale vetgehalte zijn.
- 4.1 Gebruik van gluten bevattende bestanddelen is niet toegestaan.
- 4.2 Lactose Deze bepaling geldt niet voor opvolgzuigelingenvoeding waarin meer dan 50% van het totale eiwitgehalte bestaat uit soja-eiwit.
- 4.3 Saccharose, fructose, honing
- 5.1 IJzer en jood
- 5.2 Zink
- 5.2.1 Volledig uit koemelk vervaardigde opvolgzuigelingenvoeding
- 5.2.2 Opvolgzuigelingenvoeding die soja-eiwitisolaten of mengsels daarvan met koemelk bevat
- 5.3 Overige mineralen De concentraties zijn ten minste gelijk aan de normaal in koemelk aangetroffen concentraties, eventueel verlaagd in dezelfde verhouding als die tussen de eiwitconcentraties van de opvolgzuigelingenvoeding en die van koemelk. Bijlage VII bevat ter indicatie de normale samenstelling van koemelk.
- 5.4 De verhouding calcium/fosfor is niet groter dan 2,0.