Art. 5.7.39 Voertuigreglement, Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een parkeerrem die het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand moet kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.