Art. 5.3.6 Voertuigreglement, Permanente eisen
1. Bedrijfsauto’s mogen:
a. niet langer zijn dan 12,00 m;
b. niet breder zijn dan 2,55 m;
c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen:
a. bussen met twee assen niet langer zijn dan 13,50 m;
b. bussen met twee assen die in gebruik genomen zijn vóór 10 september 2003 tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m;
c. bussen met meer dan twee assen niet langer zijn dan 15,00 m;
d. gelede bussen niet langer zijn dan 18,75 m;
e. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m;
f. kermis- en circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen:
a. geconditioneerde voertuigen niet breder zijn dan 2,60 m;
b. rijdende werktuigen niet breder zijn dan 3,00 m.
4. In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.