Bijlage 2 Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde 1995–1996: examenstructuur ‘de nederlander en de milieugebruiksruimte’

Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde 1995–1996

Het betreft hier: Van de kandidaten wordt verwacht dat zij: Alleen begrippen die specifiek zijn voor dit onderwerp zijn vermeld. Relevante termen en begrippen, die naar de gangbare mening van onderwijsgevenden tot de vaste geografische basiskennis behoren, worden bekend verondersteld. Mineralenbalans, uitputting van de bodem, bodemerosie, relatieve afstand, technologische ontwikkeling, verwoestijning, ontbossing, bestrijdingsmiddelen, overbemesting, exportgewassen, wereldmarkt. Deze examenstructuur heeft nauwe relaties met de examenstructuur ‘Nederland en de internationale milieuproblemen.’ De examenstructuren worden wel onderscheiden, maar het is niet de bedoeling om ze gescheiden te behandelen. Deze examenstructuur heeft nauwe relaties met de examenstructuur ‘Nederland en de internationale milieuproblemen.’ De examenstructuren worden wel onderscheiden, maar het is niet de bedoeling om ze gescheiden te behandelen. Voor dit milieu-geografische onderwerp moeten kandidaten een aantal vaardigheden geoefend hebben die ook op het c.e. getoetst kunnen worden. De belangrijkste zijn: