Bijlage 2 Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde 1995–1996: examenstructuur ‘de nederlander en de milieugebruiksruimte’
Onderwerpen centraal en schriftelijk examen aardrijkskunde 1995–1996
Het betreft hier: Van de kandidaten wordt verwacht dat zij: Alleen begrippen die specifiek zijn voor dit onderwerp zijn vermeld. Relevante termen en begrippen, die naar de gangbare mening van onderwijsgevenden tot de vaste geografische basiskennis behoren, worden bekend verondersteld. Mineralenbalans, uitputting van de bodem, bodemerosie, relatieve afstand, technologische ontwikkeling, verwoestijning, ontbossing, bestrijdingsmiddelen, overbemesting, exportgewassen, wereldmarkt. Deze examenstructuur heeft nauwe relaties met de examenstructuur ‘Nederland en de internationale milieuproblemen.’ De examenstructuren worden wel onderscheiden, maar het is niet de bedoeling om ze gescheiden te behandelen. Deze examenstructuur heeft nauwe relaties met de examenstructuur ‘Nederland en de internationale milieuproblemen.’ De examenstructuren worden wel onderscheiden, maar het is niet de bedoeling om ze gescheiden te behandelen. Voor dit milieu-geografische onderwerp moeten kandidaten een aantal vaardigheden geoefend hebben die ook op het c.e. getoetst kunnen worden. De belangrijkste zijn:
- 1. De begrippen milieugebruiksruimte, milieugebruiksruimte per inwoner en duurzame ontwikkeling.
- 2. De relatie tussen welvaartsniveau en de omvang van de milieugebruiksruimte.
- 3. De factoren die de omvang van de milieugebruiksruimte beïnvloeden, zoals onder andere de bevolkingsgroei, de technologische ontwikkeling en milieuverstoringen.
- 4. De maatregelen die nodig zijn om de milieugebruiksruimte te behouden, uitgaande van het begrip duurzame ontwikkeling.
- 1. Weten dat de milieugebruiksruimte bestaat uit vier componenten, nl.:
- energie;
- zoetwater;
- landbouwgrond;
- niet-vernieuwbare grondstoffen.
- 2. Kunnen beschrijven en verklaren hoe een inwoner van Nederland deze componenten gebruikt en beslag legt op milieugebruiksruimte in Nederland en buiten Nederland.
- 3. De milieugebruiksruimte per inwoner van Nederland kunnen vergelijken met die van een ontwikkelingsland en zich hierover een mening kunnen vormen.
- 1. De kandidaten moeten in staat zijn om de veranderingen in de omvang van de milieugebruiksruimte per inwoner te beschrijven, te analyseren en evalueren als gevolg van menselijke activiteiten in Nederland.
- 2. Ze moeten de effecten op de verschillende componenten kunnen nagaan en de gevolgen voor de omvang van de milieugebruiksruimte in ontwikkelingslanden kunnen beschrijven, analyseren en evalueren.
- 3. De kandidaten moeten een oordeel kunnen geven over de ongelijke verdeling van de mondiale milieugebruiksruimte en over de mogelijkheden om de ongelijkheid te verkleinen en de milieugebruiksruimte te vergroten.
- A. Intensieve veehouderij in Nederland, betrekking hebbend op de componenten:
- landbouwgrond in Z.O.-Azië
- zoetwater en grondwater in Nederland
- B. Energieverbruik door huishoudens in Neder- land, betrekking hebbend op de componenten:
- niet-vernieuwbare energiebronnen in het Midden-Oosten.
- de niet-vernieuwbare natuurlijke hulpbron lucht in Nederland, te weten de verontreiniging door CO2 en SO2
- C. De voedselconsumptie in Nederland, betrekking hebbend op de component:
- landbouwgrond in West Afrika
- 1. De kandidaten moeten in staat zijn om via een gestruktureerd stappenplan een ruimtelijk probleem te onderzoeken. De daarbij te volgen stappen zijn: beschrijven, analyseren, evalueren. In de laatste stap komt ook het element waardenbesef en oordeelsvermogen aan bod.
- 2. De kandidaten moeten verbanden kunnen leggen tussen ontwikkelingen op verschillende ruimtelijke schaalniveaus.
- 3. De kandidaten moeten om kunnen gaan met informatie uit velerlei bronnen; daarbij staan kaarten centraal.