Bijlage 3 Inhoudsomschrijving thema's ‘Politieke besluitvorming’ en ‘Multiculturele samenleving’ voor het examen maatschappijleer
Inhoudsomschrijving thema Multiculturele samenleving examen maatschappijleer v.b.o./m.a.v.o., C- en D-programma, 1995/96 en 1996/97 De inhoudsomschrijvingen voor de examenthema's bestaan uit eindtermen, gegroepeerd naar drie invalshoeken van maatschappijleer (vgl. art. 1.4 van het examenprogramma): De veranderings- en vergelijkende invalshoek, die in het examenprogramma wordt genoemd, is steeds geïntegreerd in de hierboven genoemde. De eindtermen geven aan welke kennis, inzicht en vaardigheden van kandidaten worden verwacht. De meeste eindtermen voor m.a.v.o.-C/D en v.b.o.-C/D zijn van reproduktie- of identificatieniveau. Reproduktie wil zeggen dat kan worden teruggevraagd naar door de kandidaat opgedane kennis. Identificatie betekent kandidaten moeten in staat zijn gegevens te vergelijken met het geleerde. Het gaat meestal om het herkennen van begrippen of verschijnselen in aangeboden voorbeelden. Aan D kandidaten kunnen, vaker dan aan C-kandidaten, ook produktieve vragen worden gesteld. Het gaat er dan om, dat een kandidaat kennis kan toepassen. Produktieve vragen worden vooral gesteld over eindtermen, waarin werkwoorden voorkomen als ‘uitleggen’ of ‘onderscheiden’. De formulering van de stof in eindtermen en de ordening van de eindtermen in bovengenoemde categorieën, laat onverlet dat kandidaten in staat dienen te zijn kenniselementen uit verschillende eindtermen en categorieën met elkaar in verband te brengen. De basisbegrippen zoals vermeld in artikel 1.5 van het examenprogramma zijn alleen afvraagbaar, voor zover zij deel uitmaken van de onderstaande inhoudsomschrijvingen. Het thema Multiculturele samenleving behoort tot de themavelden Opvoeding en vorming, en Woon- en leefmilieu. In de algemene categorie A zijn eindtermen geformuleerd over de betekenis van het begrip multiculturele samenleving en een aantal feitelijke gegevens, om te komen tot een eerste afbakening van het thema. Centrale vragen in deze categorie zijn: In de politiek-juridische categorie B ga
- de politiek-juridische invalshoek;
- de sociaal-economische invalshoek;
- de sociaal-culturele invalshoek.
- a. Wat wordt bedoeld met een multiculturele samenleving?
- b. Welke groepen zijn te onderscheiden in Nederland en wat zijn hun achtergronden?
- a. Welke uitgangspunten heeft het overheidsbeleid?
- b. Hoe ziet het overheidsbeleid eruit?
- c. In hoeverre is het overheidsbeleid geslaagd?
- d. Welke opvattingen bestaan er t.a.v. etnische groepen?
- a. Welke maatschappelijke positie hebben etnische groepen in de samenleving?
- b. Welke positie op de arbeidsmarkt hebben etnische minderheden en hoe is die positie te verklaren? Hoe is die positie te veranderen?
- c. Waarom nemen etnische minderheden in het onderwijs een zwakke positie in? Hoe is die positie te verbeteren?
- a. Wat is cultuur en hoe wordt die overgedragen?
- b. Welke (sub)culturen kunnen we onderscheiden in de Nederlandse samenleving?
- c. Welke motieven, oorzaken en gevolgen van discriminatie kunnen we onderscheiden?
- d. Dient er sprake te zijn van ‘aanpassing’ van minderheden in de samenleving?
- 1. Kandidaten kunnen de Nederlandse samenleving als een multiculturele samenleving typeren.
- 1.1. Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met een multiculturele samenleving.
- 1.2. Kandidaten kunnen de grootste groepen allochtonen binnen de Nederlandse samenleving noemen en globaal hun omvang aangeven.
- 1.3. Kandidaten kunnen uitleggen dat de samenleving te maken krijgt met nieuwe vraagstukken als gevolg van migratie.
- 2. Kandidaten kunnen de aanwezigheid en aantallen van migrantengroepen in Nederland verklaren.
- 2.1. Kandidaten kunnen aangeven welke motieven er waren en/of zijn om weg te gaan uit eigen land en te verhuizen naar een ander land.
- 2.2. Kandidaten kunnen van de grootste groepen allochtonen aangeven welke motieven vooral een rol hebben gespeeld bij hun migratie naar Nederland.
- 2.3. Kandidaten kunnen factoren noemen die de toename van allochtone groeperingen in Nederland kunnen beïnvloeden.
- 3. Kandidaten kunnen het verschijnsel migratie in een historische en vergelijkende context plaatsen.
- 3.1. Kandidaten kunnen voorbeelden geven van mensen die vroeger uit en naar Nederland zijn geëmigreerd.
- 3.2. * Kandidaten kunnen de actuele situatie schetsen met betrekking tot de opname van migranten door Nederland in vergelijking met enkele andere Europese landen.
- 1. Kandidaten kunnen de uitgangspunten en hoofdlijnen van het minderhedenbeleid verwoorden.
- 1.1. Kandidaten kunnen uitleggen dat in de grondwet en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uitgangspunten verwoord zijn, die voor Nederland een rol (moeten) spelen bij de bepaling van het overheidsbeleid ten aanzien van allochtonen en bovengenoemde vraagstukken.
- 1.2. Kandidaten kunnen de hoofdlijnen van het toelatingsbeleid uitleggen.
- 1.3. Kandidaten kunnen redenen noemen waarom de overheid een terughoudend toelatingsbeleid voert.
- 1.4. Kandidaten kunnen argumenten noemen van voor- en tegenstanders in de discussie over de toelating van nieuwe migranten.
- 2. Kandidaten kunnen aangeven in hoeverre het minderhedenbeleid probeert de achterstandspositie in politiek, onderwijs en werk, te verbeteren.
- 3. Kandidaten kunnen typerende standpunten van rechts-extremistische/racistische partijen over etnische groepen vergelijken met die van andere politieke partijen. *Kandidaten kunnen standpunten van politieke partijen onderling vergelijken met betrekking tot etnische groepen en kunnen een eigen beredeneerd standpunt bepalen.
- 1. Kandidaten kunnen de positie van etnische groepen op de arbeidsmarkt schetsen en aangeven welke belemmeringen en mogelijkheden er zijn voor een verbetering van die positie.
- 1.1. Kandidaten kunnen uitleggen wat de positie is van etnische groepen op de arbeidsmarkt en hiervan de achtergronden schetsen.
- 1.2. Kandidaten kunnen belemmeringen noemen die een verbetering van de arbeidsmarktpositie van etnische groepen in de weg staan.
- 1.3. Kandidaten kunnen voorbeelden geven van mogelijke veranderingen die een verbetering van de arbeidsmarktpositie van etnische groepen kunnen bevorderen.
- 1.4. Kandidaten kunnen uitleggen waarom veel leden van etnische groepen vaak een relatief lagere maatschappelijke positie hebben in de samenleving.
- 2. * Kandidaten kunnen de positie van allochtonen in het onderwijs schetsen en aangeven welke belemmeringen en mogelijkheden er zijn voor een verbetering van die positie.
- 2.1. * Kandidaten kunnen oorzaken noemen van de zwakke positie van een groot aantal leden van etnische minderheidsgroepen in het onderwijs.
- 2.2. * Kandidaten kunnen voorbeelden geven van maatregelen die een verbetering van de positie van allochtonen in het onderwijs kunnen bevorderen.
- 1. Kandidaten kunnen aan de hand van voorbeelden aangeven dat de cultuur van etnische groepen van grote invloed is op het gedrag van mensen die tot die groepen behoren.
- 1.1. Kandidaten kunnen met behulp van voorbeelden het begrip cultuur omschrijven of voorbeelden van het begrip cultuur herkennen.
- 1.2. Kandidaten kunnen kenmerken van etnische groepen herkennen.
- 1.3. Kandidaten kunnen aan de hand van voorbeelden uitleggen dat cultuur meestal als iets vanzelfsprekends wordt ervaren.
- 1.4. Kandidaten kunnen uitleggen wat onder cultuuroverdracht wordt verstaan.
- 2. Kandidaten kunnen aangeven dat de Nederlandse samenleving bestaat uit verschillende etnische groepen met op verschillende terreinen eigen gewoonten en gedragingen.
- 2.1. Kandidaten kunnen voorbeelden geven van verschillen tussen de culturen van etnische minderheden en die van autochtonen en uitleggen welke (verschillende) waarden daaraan ten grondslag liggen.
- 2.2. Kandidaten kunnen aangeven dat er ook cultuurverschillen bestaan binnen één (etnische) groep.
- 2.3. Kandidaten kunnen aan de hand van voorbeelden duidelijk maken dat autochtonen en allochtonen die in aanraking komen met elkaars culturen, elementen van die culturen overnemen.
- 2.4. * Kandidaten kunnen mogelijke gevolgen herkennen voor allochtone jongeren die opgroeien in een situatie waarin ze te maken hebben met de invloed en verwachtingen van twee culturen.
- 3. Kandidaten kunnen uitleggen dat mensen de neiging hebben anderen in groepen in te delen en te beoordelen op grond van beeldvorming over die groepen.
- 3.1. Kandidaten kunnen uitleggen waarom mensen vooroordelen hebben.
- 3.2. Kandidaten kunnen uitleggen dat bij cultuuroverdracht opvattingen over andere groepen worden overgedragen.
- 3.3. Kandidaten kunnen uitleggen dat een oordeel over anderen beïnvloed wordt door de eigen culturele achtergrond.
- 4. Kandidaten kunnen oorzaken en gevolgen van discriminatie beschrijven.
- 4.1. Kandidaten kunnen het begrip discriminatie omschrijven en voorbeelden van discriminatie herkennen.
- 4.2. Kandidaten kunnen redenen noemen waarom mensen anderen discrimineren.
- 4.3. Kandidaten kunnen maatschappelijke situaties omschrijven die discriminatie bevorderen.
- 4.4. Kandidaten kunnen aangeven welke effecten discriminatie kan hebben.
- 5. * Kandidaten kunnen argumenten voor en tegen verwoorden in de discussie over de vraag in hoeverre allochtonen zich moeten aanpassen aan ‘de’ Nederlandse cultuur.