Bijlage 2 Inhoudsomschrijving thema's ‘Politieke besluitvorming’ en ‘Multiculturele samenleving’ voor het examen maatschappijleer
Inhoudsomschrijving thema Politieke besluitvorming examen maatschappijleer v.b.o./m.a.v.o., C- en D-programma, 1995/96 en 1996/97 De inhoudsomschrijvingen voor de examenthema's bestaan uit eindtermen, gegroepeerd naar drie invalshoeken van maatschappijleer (vgl. art. 1.4 van het examenprogramma): De veranderings- en vergelijkende invalshoek, die in het examenprogramma wordt genoemd, is steeds geïntegreerd in de hierboven genoemde. De eindtermen geven aan welke kennis, inzicht en vaardigheden van kandidaten worden verwacht. De meeste eindtermen voor m.a.v.o.-C/D en v.b.o.-C/D zijn van reproduktie- of identificatieniveau. Reproduktie wil zeggen dat kan worden teruggevraagd naar door de kandidaat opgedane kennis. Identificatie betekent kandidaten moeten in staat zijn gegevens te vergelijken met het geleerde. Het gaat meestal om het herkennen van begrippen of verschijnselen in aangeboden voorbeelden. Aan D-kandidaten kunnen, vaker dan aan C-kandidaten, ook produktieve vragen worden gesteld. Het gaat er dan om, dat een kandidaat kennis kan toepassen. Produktieve vragen worden vooral gesteld over eindtermen, waarin werkwoorden voorkomen als ‘uitleggen’ of ‘onderscheiden’. De formulering van de stof in eindtermen en de ordening van de eindtermen in bovengenoemde categorieën, laat onverlet dat kandidaten in staat dienen te zijn kenniselementen uit verschillende eindtermen en categorieën met elkaar in verband te brengen. De basisbegrippen zoals vermeld in artikel 1.5 van het examenprogramma zijn alleen afvraagbaar, voor zover zij deel uitmaken van de onderstaande inhoudsomschrijvingen. Het thema Politieke besluitvorming behoort tot het themaveld Staat en maatschappij. De leerstof van het thema heeft betrekking op politieke besluitvorming in Nederland, beperkt tot het niveau van de landelijke overheid. Veel van de eindtermen is echter ook van toepassing op gemeentelijk niveau. In de eindtermen komen de volgende aspecten aan de orde: Een aantal van de hierboven genoemde aspect
- de politiek-juridische invalshoek;
- de sociaal-economische invalshoek;
- de sociaal-culturele invalshoek.
- Fasen in het proces van politieke besluitvorming.
- De rol van verschillende groeperingen en instituties in het politieke besluitvormingsproces.
- Mogelijke knelpunten in het verloop van politieke besluitvorming.
- De rol van belangen bij het nemen van politieke besluiten.
- De rol van maatschappijvisies (ideologieën) bij het nemen van politieke besluiten.
- (In)formateur, regering, kabinet, ministerraad, minister-president, minister, staatssecretaris Ministerie, departement. Volksvertegenwoordiging, parlement, Staten-Generaal, Eerste Kamer, Tweede Kamer, Kamerfractie, oppositie, regeringspartij, fractie, coalitie. Regeerakkoord, wet, amendement, motie. Gemeenteraad, Burgemeester en Wethouders. Overheidsbeleid, invloed, macht, rechtsstaat. Monarchie.
- ‘Politiek-juridische aspecten’ gaat het er op de eerste plaats om dat kandidaten inzicht hebben in het formele verloop van besluitvormingsprocessen in ons land. Verder dienen zij ook zicht te hebben op verschillende visies over het feitelijk functioneren van die besluitvorming.
- Ligt de nadruk op het uitgangspunt dat politieke besluitvorming plaatsvindt in een maatschappelijk krachtenveld. Tal van groepen in de samenleving proberen de besluitvorming te beïnvloeden. Er bestaan verschillende opvattingen over de vraag of alle groepen daarin even goed slagen.
- ‘Sociaal-culturele aspecten’ staat centraal dat bij de totstandkoming van politieke besluiten naast uiteenlopende belangen ook de- vaak daarmee samenhangende-maatschappijvisies een rol spelen. Deze visies worden belichaamd door politieke stromingen. De drie hoofdstromingen die de Nederlandse politieke cultuur de afgelopen eeuw hebben gedomineerd zijn: het liberalisme, het confessionalisme en het socialisme (sociaal-democratie).
- 1. Kandidaten kunnen uitleggen hoe overheidsbeleid tot stand komt.
- 1.1. Kandidaten kunnen een aantal fasen in het totstandkomen van politieke beslissingen herkennen en aangeven welke organen, organisaties, instellingen of personen in de verschillende fasen van het politieke proces een belangrijke rol vervullen.
- 1.2. * Kandidaten kunnen uitleggen wanneer er sprake is van politieke problemen.
- 1.3. * Kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld duidelijk maken, dat de resultaten van politieke besluitvorming (bijv. wetten) nieuwe wensen of problemen in de samenleving kunnen oproepen.
- 1.4. Kandidaten kunnen herkennen en (*) verklaren dat politieke opstellingen en besluiten het resultaat zijn van het stellen van prioriteiten en het sluiten van compromissen.
- 2. Kandidaten kunnen uitleggen wat taken van regering en parlement zijn bij het totstandkomen van overheidsbeleid.
- 2.1. Kandidaten kunnen in gegeven materiaal de taken herkennen van regering en parlement.
- 2.2. Kandidaten kunnen aan de hand van gegeven materiaal verduidelijken wat de verhouding is tussen regering en parlement.
- 3. Kandidaten kunnen uitleggen wie er naast regering en parlement een rol spelen in het politieke besluitvormingsproces.
- 3.1. Kandidaten kunnen uitleggen welke rol de Koning(in) speelt in het politieke besluitvormingsproces.
- 3.2. * Kandidaten kunnen uitleggen wat de rol van ambtenaren is in het politieke proces.
- 3.3. Kandidaten kunnen uitleggen (*) of herkennen wat de rol van politieke partijen in het besluitvormingsproces is.
- 3.4. Kandidaten kunnen voorbeelden geven van mogelijkheden die burgers hebben om invloed uit te oefenen op politieke besluit vormingsprocessen.
- 3.5. * Kandidaten kunnen uitleggen wat de rol van massamedia is in het proces van politieke besluitvorming.
- 4. Kandidaten kunnen uitleggen wat de betekenis is van parlementaire democratie voor het politieke besluitvormingsproces.
- 4.1. * Kandidaten kunnen uitleggen dat politieke besluitvorming in Nederland gebeurt via een parlementaire democratie.
- 4.2. Kandidaten kunnen kenmerken van een parlementaire democratie herkennen.
- 5. Kandidaten kunnen uitleggen welke knelpunten onderkend kunnen worden in het functioneren van het besluitvormingsproces.
- 5.1. * Kandidaten kunnen een aantal bezwaren noemen die naar voren worden gebracht ten aanzien van het functioneren van het politieke besluitvormingsproces in ons land.
- 5.2. * Kandidaten kunnen een voorbeeld beschrijven van een voorstel tot wijziging van ons politieke stelsel, dat is bedoeld om aan de in A.5.1 genoemde bezwaren tegemoet te komen.
- 5.3. Kandidaten kunnen voor- en nadelen noemen van een referendum.
- 1. Welke groepen en instellingen in de maatschappij spelen naast politieke partijen en politieke instituties een rol in het proces dat uiteindelijk leidt tot politieke besluitvorming.
- 1.1. Kandidaten kunnen uitleggen wat belangen- of pressiegroepen zijn.
- 1.2. Kandidaten kunnen verschillen aangeven tussen politieke partijen en belangen- of pressiegroepen.
- 2. Kandidaten kunnen voorbeelden noemen van de wijze waarop belangen- of pressiegroepen proberen de politieke besluitvorming te beïnvloeden.
- 3. Kandidaten kunnen uitleggen dat er verschillen bestaan in de mate, waarin groepen in de samenleving invloed kunnen uitoefenen op de politieke besluitvorming.
- 3.1. * Kandidaten kunnen aan de hand van een bepaalde situatie uitleggen welke politieke actoren meer of minder invloed hebben op de politieke besluitvorming.
- 3.2. * Kandidaten kunnen hun mening geven over de mate waarin burgers, politici, belangengroepen, invloed kunnen uitoefenen op de politieke besluitvorming.
- 1. Kandidaten kunnen uitleggen welke maatschappijvisies een rol spelen in het denken over de politiek.
- 1.1. Kandidaten kunnen een gegeven standpunt als liberaal herkennen en (*) kunnen verklaren waarom het liberaal is.
- 1.2. Kandidaten kunnen een gegeven standpunt als sociaal-democratisch herkennen en (*) kunnen verklaren waarom het sociaal-democratisch is.
- 1.3. Kandidaten kunnen een gegeven standpunt als christen-democratisch herkennen en (*) kunnen verklaren waarom het christen-democratisch is.
- 1.4. Kandidaten kunnen een gegeven standpunt als communistisch herkennen en (*) kunnen verklaren waarom het communistisch is.
- 1.5. Kandidaten kunnen een gegeven standpunt als rechts-extremistisch herkennen en (*) kunnen verklaren waarom het rechts-extremistisch is.
- 1.6. Kandidaten kunnen een gegeven standpunt als ecologisch herkennen en (*) kunnen verklaren waarom het ecologisch is.
- 2. Kandidaten kunnen uitleggen welke verwantschap er bestaat tussen politieke partijen en maatschappijvisies.
- 2.1. Kandidaten kunnen politieke partijen in Nederland in verband brengen met politieke stromingen.
- 2.2. Kandidaten zijn in staat gegeven uitspraken in verband te brengen met eveneens gegeven politieke partijen.