Bijlage 1 Inhoudsomschrijving thema's ‘Politieke besluitvorming’ en ‘Multiculturele samenleving’ voor het examen maatschappijleer
De inhoudsomschrijvingen voor de examenthema's bestaan uit eindtermen, gegroepeerd naar drie invalshoeken van maatschappijleer (vgl. art. 1.4 van het examenprogramma): De veranderings- en vergelijkende invalshoek, die in het examenprogramma wordt genoemd, is steeds geïntegreerd in de hierboven genoemde. De eindtermen geven aan welke kennis, inzicht en vaardigheden van kandidaten worden verwacht. De meeste eindtermen voor v.w.o. zijn produktief; dat wil zeggen dat de opstellers van de toetsen ervan uit mogen gaan dat kandidaten in staat zijn hun kennis, inzicht en vaardigheden toe te passen bij het analyseren van een (relatief nieuw) vraagstuk. Eindtermen waarin wordt gevraagd om het verwoorden van een eigen mening of standpunt, zijn te typeren als vrije verwerking; kandidaten moeten een vraagstuk niet alleen kunnen analyseren, maar ook – aan de hand van relevante en vakspecifieke criteria – kunnen beoordelen. Het werkwoord ‘herkennen’ in de eindtermen verwijst naar identificatie; kandidaten moeten in staat zijn gegevens te vergelijken met het geleerde. Bij identificatie gaat het meestal om het herkennen van begrippen of verschijnselen in aangeboden voorbeelden. Kandidaten moeten in zulke gevallen in staat zijn hun antwoord toe te lichten. Als in eindtermen het werkwoord ‘beschrijven’ wordt gebruikt, is er sprake van reproduktie; er kan worden teruggevraagd naar door de kandidaat opgedane kennis. De formulering van de stof in eindtermen en de ordening van de eindtermen in bovengenoemde categorieën, laat onverlet dat kandidaten in staat dienen te zijn kenniselementen uit verschillende eindtermen en categorieën met elkaar in verband te brengen. Tevens worden kandidaten geacht bekend te zijn met de basisbegrippen, zoals vermeld in artikel 1.5 van het examenprogramma, en deze begrippen te kunnen gebruiken in de context van de onderhavige examenthema's. In de algemene categorie A zijn eindtermen geformuleerd over de betekenis van een aantal basisbegrippen voor dit onderwe
- de politiek-juridische invalshoek;
- de sociaal-economische invalshoek;
- de sociaal-culturele invalshoek.
- a. Welke betekenissen hebben de begrippen politiek en beleid, staat en overheid, macht en gezag?
- b. Wat zijn de hoofdtaken van de overheid in de Nederlandse samenleving?
- a. Hoe komt overheidsbeleid tot stand?
- b. Wie zijn betrokken bij de totstandkoming van overheidsbeleid?
- c. Welke knelpunten kunnen onderkend worden in het functioneren van het besluitvormingsproces?
- d. In hoeverre wijkt de structuur van het politieke besluitvormingsproces in ons land af van die in andere landen?
- a. Welke groepen en instellingen in de maatschappij spelen naast politieke partijen en politieke instituties een rol in het proces dat uiteindelijk leidt tot politieke besluitvorming?
- b. Welke mogelijkheden hebben deze groepen om invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming?
- c. Zijn er verschillen in de mate, waarin groepen in de samenleving invloed kunnen uitoefenen op de politieke besluitvorming?
- a. Wat is politieke cultuur?
- b. Wat zijn ideologieën en politieke stromingen?
- c. Welke maatschappijvisies spelen traditioneel een rol in het denken over de politiek?
- d. Welke politieke stromingen en partijen zijn verwant met die maatschappijvisies?
- e. Wat kenmerkt de houding van burgers ten opzichte van ‘de politiek’ in ons land?
- 1. Kandidaten kunnen de betekenis omschrijven van enkele politieke basisbegrippen.
- 1.1. Kandidaten kunnen beschrijven welke betekenissen de begrippen politiek en beleid hebben.
- 1.2. Kandidaten kunnen beschrijven wat onder de begrippen staat en overheid wordt verstaan.
- 1.3. Kandidaten kunnen de begrippen (politieke) macht en gezag uitleggen en de bronnen noemen waaraan macht en gezag ontleend worden.
- 2. Kandidaten kunnen de hoofdtaken van de overheid in de Nederlandse samenleving herkennen.
- 1. Kandidaten kunnen het proces van politieke besluitvorming analyseren volgens de benadering van het systeemmodel.
- 1.1. Kandidaten kunnen het politieke besluitvormingsproces typeren aan de hand van de begrippen politiek systeem, omgeving, invoer, omzetting, uitvoer en terugkoppeling.
- 1.2. Kandidaten kunnen met behulp van (actuele) voorbeelden een globale omschrijving geven van de omgeving van het Nederlandse politieke systeem en uitleggen dat deze ‘omgevingsfactoren’ van invloed kunnen zijn op de politieke besluitvorming.
- 1.3. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden de invoer (input) van het Nederlandse politieke systeem omschrijven.
- 1.4. Kandidaten kunnen uitleggen hoe binnen het politieke systeem eisen omgezet worden in beleid.
- 1.5. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden de uitvoer (output) van het politieke systeem omschrijven.
- 1.6. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen dat de resultaten van politieke besluitvorming reacties op kunnen roepen in de samenleving in de vorm van nieuwe eisen/wensen of (het onthouden van) steun, en dat politieke besluitvorming zo een doorgaand proces is.
- 1.7. Kandidaten kunnen uitleggen welke actoren (vooral) betrokken zijn bij politieke (besluitvormings)processen.
- 1.8. * Kandidaten kunnen enkele kanttekeningen plaatsen bij een systeem-benadering als model van politieke besluitvorming.
- 2. Kandidaten kunnen het proces van politieke besluitvorming beschrijven volgens de zgn. barrière-benadering.
- 2.1. Kandidaten kunnen het proces van politieke besluitvorming indelen in fasen en voorbeelden geven van belangentegenstellingen die daarin een rol spelen (barrière-model).
- 3. Kandidaten kunnen de taken en middelen van regering en parlement omschrijven, alsmede hun onderlinge (machts)verhouding.
- 3.1. Kandidaten kunnen de taken beschrijven van regering en parlement.
- 3.2. Kandidaten kunnen uitleggen welke formele middelen het parlement (Eerste en Tweede Kamer) heeft om zijn medewetgevende en controlerende taak te vervullen.
- 3.3. Kandidaten kunnen uitleggen welke informele middelen parlementsleden en regering hebben om hun medewetgevende en controlerende taak te vervullen.
- 3.4. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen waarom in Nederland politieke besluitvorming vrijwel uitsluitend tot stand kan komen met coalities.
- 3.5. * Kandidaten kunnen uitleggen wat het verschil is tussen dualisme en monisme in een systeem van politieke besluitvorming.
- 3.6. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden een onderbouwde visie geven op de veranderende machtsverhouding tussen parlement en regering.
- 4. Kandidaten kunnen uitleggen wat de rol is van ambtenaren, adviesbureaus, politiek partijen en massamedia in het proces van politieke besluitvorming.
- 4.1. * Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met het begrip overheidsbureaucratie.
- 4.2. Kandidaten kunnen uitleggen wat de invloed van ambtenaren is in het politieke proces.
- 4.3. Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden knelpunten in het functioneren van de overheidsbureaucratie herkennen en omschrijven.
- 4.4. Kandidaten kunnen uitleggen welke rol adviesorganen en planbureaus spelen in de politieke besluitvorming.
- 4.5. Kandidaten kunnen enkele belangrijke adviesorganen en planbureaus noemen en globaal aangeven wat hun taak is.
- 4.6. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen welke functies politieke partijen in het besluitvormingsproces vervullen.
- 4.7. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen welke rol massamedia kunnen hebben in het proces van politieke besluitvorming.
- 5. Kandidaten kunnen knelpunten noemen t.a.v. het functioneren van de politieke besluitvorming en een aantal mogelijke oplossingen daarvoor noemen.
- 5.1. Kandidaten kunnen een aantal mogelijke knelpunten noemen die naar voren worden gebracht ten aanzien van het functioneren van het politieke besluitvormingsproces in Nederland.
- 5.2. Kandidaten kunnen voorbeelden beschrijven van een voorstel tot verandering van ons politiek stelsel.
- 6. Kandidaten kunnen de structuur van het Nederlandse stelsel van politieke besluitvorming typeren.
- 6.1. Kandidaten kunnen uitleggen dat Nederland een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel is.
- 6.2. Kandidaten kunnen uitleggen dat Nederland een parlementaire democratie is.
- 6.3. Kandidaten kunnen uitleggen dat Nederland een rechtsstaat is.
- 6.4. Kandidaten kunnen uitleggen dat Nederland een kiesstelsel heeft, gebaseerd op evenredige vertegenwoordiging.
- 6.5. * Kandidaten kunnen aan de hand van actuele voorbeelden uitleggen wat het verschil is tussen representatie en representativiteit, wat hiervan de oorzaak is en welke gevolgen dit heeft.
- 6.6. * Kandidaten kunnen kenmerkende verschillen onderscheiden tussen een parlementair en een presidentieel stelsel.
- 1. Kandidaten kunnen aangeven welke groepen en instellingen in de maatschappij naast politieke partijen en politieke instituties een belangrijke rol spelen in het proces van politieke besluitvorming.
- 1.1. Kandidaten kunnen uitleggen wat pressiegroepen zijn.
- 1.2. Kandidaten kunnen verschillen aangeven tussen politieke partijen en pressiegroepen.
- 1.3. Kandidaten kunnen actuele voorbeelden noemen van pressiegroepen.
- 2. Kandidaten kunnen de mogelijkheden omschrijven die individuen en pressiegroepen hebben om de politieke besluitvorming te beïnvloeden.
- 2.1. Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden verschillende vormen van politieke participatie herkennen.
- 2.2. Kandidaten kunnen aangeven welke vormen de politieke participatie van pressiegroepen aan kan nemen.
- 2.3. Kandidaten kunnen de in de Grondwet genoemde klassieke vrijheidsrechten in verband brengen met de politieke participatiemogelijkheden in pressiegroepen.
- 2.4. Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt verstaan onder het begrip burgerlijke ongehoorzaamheid en hoe deze kan bijdragen aan het democratisch gehalte van de samenleving.
- 3. Kandidaten kunnen oorzaken noemen waarom er verschillen zijn in de mate waarin groepen in de samenleving invloed kunnen uitoefenen op de politieke besluitvorming.
- 3.1. Kandidaten kunnen aan de hand van een (actueel) voorbeeld factoren noemen die van invloed zijn op de mate waarin belangen- en pressiegroepen erin slagen de politieke besluitvorming in een concreet geval te beïnvloeden.
- 3.2. * Kandidaten kunnen verschillende visies onderscheiden met betrekking tot de vraag hoe politieke macht in samenlevingen als de onze is verdeeld. Zij moeten tevens over deze machtsverdeling hun beargumenteerde mening kunnen verwoorden.
- 1. Kandidaten kunnen een omschrijving geven van het begrip politieke cultuur en deze voor Nederland typeren.
- 1.1. * Kandidaten kunnen uitleggen wat onder politieke cultuur wordt verstaan.
- 1.2. * Kandidaten kunnen een voorbeeld geven van veranderingen die zich hebben voorgedaan in de politieke cultuur van Nederland.
- 2. Kandidaten kunnen de belangrijkste ideologieën en stromingen typeren en herkennen in standpunten van politieke partijen.
- 2.1. Kandidaten kunnen een omschrijving geven van het begrip ideologie.
- 2.2. Kandidaten kunnen criteria onderscheiden volgens welke politieke partijen worden ingedeeld en kunnen standpunten van politieke partijen aan de hand van deze indelingen typeren.
- 3. Kandidaten kunnen verschillende maatschappijvisies in het politieke denken onderscheiden.
- 3.1. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van de liberale maatschappijvisie herkennen.
- 3.2. Kandidaten kunnen met (actuele) voorbeelden duidelijk maken welke rol de overheid dient te spelen in de samenleving in de liberale visie.
- 3.3. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van de sociaal-democratische maatschappijvisie herkennen.
- 3.4. Kandidaten kunnen met (actuele) voorbeelden duidelijk maken welke rol de overheid dient te spelen in de samenleving in de sociaal-democratische visie.
- 3.5. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van de christen-democratische maatschappijvisie herkennen.
- 3.6. Kandidaten kunnen met (actuele) voorbeelden duidelijk maken welke rol de overheid dient te spelen in de samenleving in de christen-democratische visie.
- 3.7. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van het communisme herkennen.
- 3.8. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van de communistische maatschappijvisie herkennen.
- 3.9. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van rechtsextremisme herkennen.
- 3.10. Kandidaten kunnen aan de hand van een (actueel) voorbeeld uitleggen welke opvattingen binnen het rechtsextremisme bestaan over de rol die de overheid dient te spelen in de samenleving.
- 3.11. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van de ecologische stroming herkennen.
- 3.12. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van pragmatisme herkennen.
- 3.13. Kandidaten kunnen in een (actueel) voorbeeld belangrijke uitgangspunten van de orthodox-christelijke stroming herkennen.
- 3.14. Kandidaten kunnen standpunten van politieke partijen in Nederland in verband brengen met politieke stromingen.
- 3.15. Kandidaten zijn in staat gegeven uitspraken te herkennen als kenmerkend voor bepaalde politieke partijen.
- 4. Kandidaten kunnen de houding van burgers ten opzichte van ‘de politiek’ in Nederland typeren en verklaren.
- 4.1. Kandidaten zijn bekend met het niveau van politieke participatie in Nederland en kunnen factoren onderscheiden, die van invloed zijn op die participatie.
- 4.2. Kandidaten kunnen een aantal mogelijke oorzaken beschrijven waarom mensen niet in politiek geïnteresseerd zijn.
- 4.3. Kandidaten kunnen een aantal redenen noemen waarom het wenselijk is dat mensen participeren in politiek.