Bijlage 2 Examenstof klassieke taal en letterkunde 1996
Examenstof klassieke taal en letterkunde 1996
Centraal in het pensum staan de ontmoetingen van Odysseus: De volgende teksten moeten gelezen worden. Bij de teksten in de tweede kolom kan volstaan worden met een behandeling in vertaling. In het Grieks In vertaling Onderwerp 1.1-95 aanhef/godenvergadering 5.1-148 godenvergadering 5.149-227 Kalypso 6.1-109 Nausikaä 6.110-250 Nausikaä 9.216-465 Kykloop 12.153-200 Sirenen 14.1-108 Eumaios 14.109-190 Eumaios 16.1-45 Telemachos 16.154-219 Telemachos 19.349-393 Eurykleia 19.467-502 Eurykleia 23.85-240 Penelope De kandidaat kan vragen beantwoorden die betrekking hebben op de inhoud en de vorm van een voorgelegde tekst uit het pensum; thematiek en hoofdlijnen van het pensum worden bekend verondersteld. Een Griekse tekst wordt niet geannoteerd; wel kan de context kort worden omschreven. Het gebruik van een Grieks-Nederlands woordenboek is toegestaan. Ter illustratie moet (in vertaling) gelezen worden: Hom. Od. 8.62–92 en Od. 8.470–498. Nadere gegevens over de aard en functie van epiek zijn bijvoorbeeld te vinden in S.R. Slings, De dichter als bewaker van het verleden, Bzzlletin 175, april 1990, p. 3–11. De kandidaat kan bovengenoemde begrippen en verschijnselen hanteren bij de beantwoording van vragen betreffende het pensum en secundaire literatuur. Ten aanzien van het ontstaan van de Ilias en de Odyssee en de persoon van Homeros zelf bestaan meer vragen dan antwoorden. Al in de oudheid wist men niet precies waar en wanneer hij leefde en of de Ilias en Odyssee wel allebei van zijn hand waren. Sinds de achttiende eeuw is hier nog de ‘Homerische kwestie’ bijgekomen: de controverse tussen Unitariërs en Analytici. Tenslotte heeft de ‘oral poetry’ school een nieuwe vraag opgeworpen: Zijn de Ilias en Odyssee, zoals wij ze nu kennen, mondeling of schriftelijk ontstaan? De kandidaat kan naar aanleiding van een voorgelegde tekst inzicht tonen in de vragen die bestaan met betrekking tot de persoon van Homeros en het ontstaan en de overlevering van Ilias en Odyssee. De kandidaat kan
- tijdens zijn zwerftocht, met onbekenden (Kalypso, Nausikaä, Kykloop, Sirenen)
- bij zijn terugkeer, met vertrouwden (Eurnaios, Telemachos, Eurykleia, Penelope).
- Algemeen: lange verhalende gedichten over goden en helden; verhalencycli rond bepaalde helden of steden.
- Homeros: verhalen, geconcentreerd rond de Trojaanse oorlog en de terugkeer van Odysseus: idealisering van de heldentijd.
- orale poëzie:
- rondtrekkende zangers; hun maatschappelijke functie;
- hun goddelijke inspiratiebron;
- parallellen met moderne orale epiek.
- historisch:
- oikos als kleinschalige economische eenheid
- gastvriendschap en gastgeschenken
- leiderschap en opvolging
- archeologisch:
- wereld van Ilias en Odyssee: elementen uit late bronstijd (burchten, lineair B) en uit de ijzertijd (crematie, kleinschalige clanmaatschappij.)
- Parisoordeel
- schaking van Helena
- Trojaanse oorlog
- hoofdelementen uit de Ilias:
- conflict Achilleus / Agamemnon
- Hektor / Andromache
- rol van Patroklos; zijn dood
- dood van Hektor
- Priamos / Achilleus
- Godenvergadering
- Telemachos in Pylos en Sparta
- Tweede godenvergadering
- Odysseus/Kalypso
- schipbreuk
- ontvangst bij de Faiaken
- retrospectie: de avonturen
- aankomst op Ithaka
- ontmoetingen met Eumaios, Telemachos, Eurykleia
- wedstrijd boogschieten
- dood van de vrijers
- herkenning Penelope
- herkenning Laërtes
- enkele ontmoetingen van Odysseus die in het pensum voorkomen: Nausikaä, Sirenen, Kykloop en Penelope
- het thema van de terugkeer.
- de 17e eeuwse Hollandse schilderkunst (allegorisch/moraliserend)
- het postmodernisme van de 20ste eeuw (ironie en allusie)
- de Nederlandse literatuur van vlak na de oorlog. De symboliek van de terugkeer (bevrijding c.q. vervreemding) die in alle—vooral slechte- tijden voorkomt, is in de Nederlandse literatuur dan een opvallend thema.
- Caroline Fisser, Homerus in beeld: De receptie van Homerus in de beeldende kunst, in: Receptie van de klassieken III, Amsterdam 1991, p. 12–45.
- Rudi van der Paardt, Sporen van de dichter. Invloed van Homerus sinds Tachtig, in Mythe en Metamorfose, Amsterdam 1991, p. 9–28.
- de dactylische hexameter
- variatie in vormen, gebruikt om te voldoen aan de eisen die het metrum stelt:
- metrische diectasis (òρóων)
- apocope (κáßßαλε, κáδ)
- metrische verlenging (Οϋλυμπoς naast Ολυμπος )
- het naast elkaar voorkomen van vormen met enkele en met dubbele medeklinker (Oδυσσευ'ς naast Oδυσευ'ς , Ěλλαßον naast Ěλαßον)
- nevenvormen (Ěταρος naast Ěταîρος )
- algemeen
- niet-gecontraheerde en anders dan in het Attisch gecontraheerde vormen (νóος , στεα, -ευ in plaats van -ου)
- patronymica op -ίων, -ίδης , -ιάδης
- voorzetsel in anastrofe (6.160: του Ěκ = έκ του)
- verbum
- iteratief suffix in historische tijden (-σκ-)
- tmesis
- facultatief augmentgebruik
- uitgangen:
- 2de pers.sg. med.: -εαι/-ηαι; -εο/-ευ
- coniunctivus met “dubbele” uitgang: -ω + μι, -ης + θα, -η + σι (ν) (6.189: έθέ λησιν)
- 3de pers.pl.: -ν = -ησαν (πλήσθεν, Ěσταν)
- dualisuitgangen: -τον -σθον -την -σθην
- infinitivusuitgangen: -μεν, -μεναι en -εμεν, εμεναι
- coniunctivus met korte themavocaal
- afwijkende vormen van εíμí, εíμι, οíδα en φημí
- aoristus mixtus (έδύσετο, íξον)
- uitgangen:
- gen.s.: -οιο, -αο/-εω
- gen.pl.: -άων, -έων
- dat.pl.: -ησ ι(ν), -ης, -οισι(ν), -εσ(σ)ι(ν)
- dualisuitgangen
- verbuiging van νηύς en Ζεύς
- suffixen: -θι, -δε, -σε, -θεν, -φι
- pronomina personalia van het Attisch afwijkende vormen als έ, μιν, σφιν, οí, τοι, σφι(σιν)
- pronomina possessiva
- lidwoord met demonstratieve betekenis
- pronomina relativa beginnend met τ
- pronomina rel. indefinita: ŏτ(τ)ευ, ŏτεψ ŏτεων, άσσα
- pronomina interrogativa: τεΰ, τέψ τέων
- pronomina indefinita: τευ, τεψ τεων
- κε/κ' / X' /κεν = άν
- het gebruik van κε/άν is minder gereguleerd dan in het Attisch.
- epitheton ornans
- ringcompositie
- typische scene
- ironie:bewust (Een personage zegt met opzet iets anders dan wat hij werkelijk bedoelt.)
- 1. Commentaar van de verteller bijv. Od. 1.8; 6.66–67.
- 2. Prospectieve en retrospectieve verhaalelementen bijv. 1.16–19; 6.4–12; 19.394–466.
- 3. Woorden en gedachten van goden kunnen de structuur van het verhaal verduidelijken. bijv. 5.1–52; 6.113–114.
- 4. Homerische vergelijkingen:
- primaire functie: illustratie van een onderdeel van het verhaal.
- secundaire functie: aan de vertelling toegevoegde waarde zoals pathos, vooruitwijzing, Leitmotiv. bijv. 6.102–109; 6.130–136; 6.232–235; 16.216–218.
- het tertium comparationis.
- de voor de Odyssee typische “omkeer” vergelijking (man vergeleken met vrouw, meester met dienaar). bijv. 16.17–21; 23.233–239.
- 5. Thema (algemene grondgedachte) en motief (herhaald en betekenisvol element; bijv. de uitgestelde herkenning in boek 16, 19 en 23; gastvrijheid (de goede en de slechte gastheer in resp. Eumaios en Polyphemos).