Bijlage 1 Examenstof klassieke taal en letterkunde 1996

Examenstof klassieke taal en letterkunde 1996

Er is bij de selectie van het pensum vooral aandacht gegeven aan de volgende aspecten: De met * gemarkeerde passages worden in vertaling gelezen; de tussen haakjes geplaatste passages worden aanbevolen als achtergrond bij de bovengenoemde thema's. Boek I 1 33 prooemium (prooemia van Ilias en Odyssee) 81 101 de storm. Od. 5.291-332, Ov. Met. 11.474ff.) 180 209 toespraak van Aeneas tot zijn makkers. (Od. 12.208-213) *223 304 Venus' klacht en Jupiter's profetie. 418 440 Aeneas' aankomst in Carthago; de stad in aanbouw. *441 493 afbeeldingen van scènes uit de Trojaanse oorlog. 494 508 komst van Dido. *594 612 Aeneas begroet Dido. 613 630 Dido verwelkomt Aeneas. (Od. 10.325-330) Boek II 1 56 het paard van Troje; Laocoön. *57 198 Sinon. 199 249 vervolg Laocoön. (Vondel's Gijsbreght) 506 558 dood van Priamus. Boek IV 1 89 Dido ‘gewond’ door de liefde. *90 128 Juno en Venus. 129 172 de jacht en het ‘huwelijk’. *173 195 Fama. *219 237 bevel van Jupiter aan Mercurius. *279 295 Aeneas' besluit om te vertrekken. 296 396 Dido en Aeneas. 437 449 Aeneas vergeleken met een eik. *522 552 Dido's eenzame wake. *584 629 Dido's vervloeking. 642 666 Dido's dood. *693 705 Iris. (Ovidius' Heroides VII) Boek VI *77 97 profetie van de Sibylle. 264 294 verschrikkingen aan de ingang van de onderwereld. (Lucretius. de Rerum Natura 3.65–93) 450 476 een zwijgende Dido. (Od. 11.541-567) *547 607 de Tartarus. *679 702 Anchises. 703 723 de zielen wachtend bij de Lethe. *724 751 Anchises' filosofische explicatie: loutering en wedergeboorte. 788 807 Augustus, een tweede Hercules. 847 853 het eigene van Grieken en Romeinen. 893 901 de poorten van de slaap. Boek VIII *90 106 aankomst in ‘Rome’; Euander en Pallas. *337 369 wandeling door ‘Rome’. 619 634 de nieuwe wapenrusting; op het schild: de wolvin. *675 731 op het schild: Actium en Augustus. Boek X *1 80 godenvergadering: Jupiter, Venus en Juno. 81 95 Juno. 96 115 Jupiter onpartijdig. *460 509 Turnus doodt Pallas. (II. 16.431–449, 855–867; 17.192–208