Bijlage 1 Uitrustingsregeling politie 1994: bij de Uitrustingsregeling politie 1994: technische specificaties nazorgmiddelen als bedoeld in artikel 5a
Uitrustingsregeling politie 1994
Bij het gebruik van pepperspray door de politie is een nazorgprotocol van toepassing. In deze bijlage zijn de eisen opgenomen welke van toepassing zijn op het nazorgmiddel dat na gebruik van het geweldsmiddel pepperspray toegepast dient te worden, teneinde de effecten van het gebruik van pepperspray te verlichten na aanhouding van een verdachte alsmede gedurende het transport naar het politiebureau. De werkzame componenten van de te gebruiken pepperspray zijn capsaïcine en enkele nauwverwante verbindingen. Deze stoffen veroorzaken acuut een lokaal ontstekingsproces resulterend in mogelijke effecten op een aantal doelorganen, te weten: De effecten op de ogen zijn pijn, een heftige tranenvloed, een snel voorbijgaande verblinding, en een verwijding van de haarvaten van de oogleden waardoor deze sluiten en gedurende enige tijd niet meer open kunnen; De pepperspray veroorzaakt een sterk branderig gevoel op de huid, hetgeen gepaard gaat met roodheid en heftige pijn. Na verloop van tijd ontstaat ongevoeligheid van de aangedane huid voor pijn en temperatuurprikkels. De pijn en roodheid verdwijnen meestal binnen 30 minuten, de ongevoeligheid kan dagen duren; De slijmvliezen van de bovenste luchtwegen kunnen een acute ontstekingsreactie vertonen, gepaard gaand met slijmafscheiding in neus en keel. Dit kan leiden tot kuchen, maar ook tot heftige hoestbuien en soms tot vernauwing van de luchtwegen, waardoor in sommige gevallen kortademigheid kan ontstaan; Verlies van controle over de lichaamsmotoriek, het optreden van een gedwongen reflexmatig voorovergebogen houding, ernstig trillen over het gehele lichaam en gevoelens van disoriëntatie en paniek. Uit pilot-praktijktrainingen van politiemensen die vrijwillig werden blootgesteld aan pepperspray, bleken de volgende effecten het meeste ongerief te veroorzaken: een sterk branderig gevoel en heftige pijn op de huid (vooral van het gezicht), pijn aan de ogen en het tijdelijk niet meer kunnen openen van de ogen. In dit kader worden e
- a. Het nazorgmiddel mag op zichzelf geen schadelijke bijwerkingen (b.v. irritatie) op huid, ogen, luchtwegen en andere delen van het lichaam hebben. Onder niet schadelijk wordt verstaan: niet carcinogeen, teratogeen of mutageen en niet giftig of irriterend voor huid of ogen. Als richtlijn voor de giftigheid dient een letale dosis (LD50) van > l gram per kg lichaamsgewicht, ongeacht de toedieningsroute.
- b. Als richtlijn voor irritatie van de ogen en huid dient een milde reactie in dierproeven bij een expositie van enkele dagen in hoeveelheden van 50 mg of groter; elke sterkere reactie is onacceptabel.
- c. Het gestelde in de onderdelen a en b geldt ook voor het oplosmiddel. De toegepaste oplosmiddelen dienen van een zodanige kwaliteit te zijn dat het totale oplosmiddel-mengsel niet meer dan 0,5 gewichtsprocent bevat van relatief ongevaarlijke verbindingen zoals butanol of methanol. Het gebrek aan gevaarlijke eigenschappen dient aantoonbaar te zijn middels een zgn. veiligheidsblad ("materials safety data sheet").
- a. Het nazorgmiddel dient houdbaar te zijn bij uiteenlopende wisselende temperaturen (van -5 tot +50 °C). 1Wisselende temperatuurschommelingen zullen zich met name voor kunnen doen in bijvoorbeeld een politievoertuig.Dit betekent dat het middel ondanks bevriezen intact en dus werkzaam moet blijven na ontdooien.
- b. Het is geen eis dat het nazorgmiddel te gebruiken is bij temperaturen beneden de -5 °C.