Art. 10 BWOO, Verplichting van betrokkene
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO)
1. De betrokkene voorkomt dat hij:
a. verwijtbaar werkloos wordt;
b. werkloos is of blijft, doordat hij
1°. in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen;
2°. nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt;
3°. door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt; of
4°. in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
2. De betrokkene is verwijtbaar werkloos geworden, indien hij:
a. zich zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag zijn ontslag tot gevolg zou kunnen hebben;
b. ontslag heeft genomen, zonder dat aan de voortzetting van zijn betrekking voor hem zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
3. Als passende arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de betrokkene is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passend wordt beschouwd arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de Wet Sociale Werkvoorziening.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden omtrent het begrip passende arbeid, bedoeld in het eerste en derde lid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 22 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO7429
- Rb. 's-Hertogenbosch 25 maart 1999, ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3486
- Rb. Leeuwarden 15 augustus 2002, ECLI:NL:RBLEE:2002:AE6542
- Rb. Leeuwarden 18 juni 2002, ECLI:NL:RBLEE:2002:AE4459
- Rb. Arnhem 16 maart 2000, ECLI:NL:RBARN:2000:AA5660
- CRvB 14 oktober 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR4373
- CRvB 19 mei 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR2479
- CRvB 28 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO3582
- CRvB 21 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO3257
- CRvB 20 augustus 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AL1650