Bijlage VI Regeling huisvesting v.o./b.v.e.: bij de Regeling huisvesting v.o./b.v.e.
Regeling huisvesting v.o./b.v.e.
Algemeen Aanvragen voor blijvende voorzieningen in de huisvesting waarmee een bedrag is gemoeid van meer dan ƒ 500.000,- komen bij voldoende prioriteit in aanmerking voor vergoeding voorzover de beschikbare middelen dit toelaten. De prioriteit wordt uitgedrukt in een aantal punten op een schaal van 0 tot 100. Jaarlijks zal het minimum aantal punten worden vastgesteld waarbij een aanvraag voor opname in het (Intentioneel) Investeringsschema in aanmerking komt. Het minimum aantal punten wordt bepaald aan de hand van de beschikbare begrotingsbedragen in relatie met het benodigde investeringsbedrag voor het aantal aanvragen, op volgorde van prioriteit. Prioriteitbepaling De prioriteitbepaling kent een tweetal onderdelen: De prioriteitberekening In de berekening wordt het tekort dat blijkt uit de vergelijking tussen de aanwezige huisvesting en de normatief benodigde huisvesting uitgedrukt in een aantal punten. De aanwezige huisvesting wordt op een aantal kwalitatieve aspecten gewogen. Deze weging kan ertoe leiden dat van de aanwezige huisvesting maar een bepaald gedeelte in de verschillenberekening wordt meegenomen. De prioriteit stijgt naarmate de feitelijke huisvesting afwijkt van de huisvesting welke aan redelijke eisen voldoet en waarop de betreffende school recht heeft volgens de geldende normen. De basisformule voor de berekening van de prioriteit is PRIORITEITPUNTEN = RUIMTEBEHOEFTE - GEWOGEN BSCHIKBARE RUIMTE X 100 RUIMTEBEHOEFTE De berekening wordt uitgevoerd op lokaalsoort/ruimtesoort, volgens de indeling: Het belang van de lokaalsoorten wordt uitgedrukt via een constante weegfactor v.b.o./m.b.o. a.v.o./v.w.o. theorie/theorievaklokalen 35 45 vaklokalen 55 45 nevenruimten 10 10 Bij scholengemeenschappen met v.b.o. of m.b.o. worden de weegfactoren van het v.b.o./m.b.o. toegepast. Anders gezegd een school die geen vaklokalen in de huidige huisvesting tot de beschikking heeft maar wel een normatieve behoefte kent scoort 55 casu quo 45 prioriteitpunten. De prioritei
- De berekende prioriteit, waarbij het verschil - zowel kwalitatief als kwantitatief - tussen de beschikbare huisvesting en de normatief benodigde huisvesting in punten wordt uitgedrukt.
- De toegekende prioriteit, waarbij in het kader van beleidsprioriteiten extra prioriteitpunten worden toegekend.
- 1. theorie- en theorievaklokalen;
- 2. vaklokalen;
- 3. nevenruimten.
- aantal locaties;
- bouwkundige staat per gebouwdeel;
- onderwijskundige gebruikswaarde per gebouwdeel;
- ouderdom noodhuisvesting per gebouwdeel.
- 0 : onbekend
- 1 : nieuwbouwkwaliteit
- 2 : nieuwbouwkwaliteit met eerste tekenen van veroudering
- 3 : het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen
- 4 : het verouderingsproces heeft het gebouwdeel duidelijk in zijn greep
- 5 : het verouderingsproces is min of meer onomkeerbaar geworden
- 6 : een zodanige slechte toestand dat dit niet meer te classificeren is onder conditie 5
- Onderbouw fundering Bovenbouw
- buitenwanden
- binnenwanden
- vloeren
- dakconstructie
- draagconstructie
- buitenwandopeningen
- vloerafwerkingen
- plafondafwerkingen
- dakafwerkingen Installaties
- warmte-opwekking
- warmtedistributie
- luchtbehandeling
- electrotechnisch transportinstallatie Terrein
- terreinafwerkingen
- a. Fusiestimulering voortgezet onderwijs (v.w.o.)/a.v.o./v.b.o. Het scholenhuisvestingsbeleid is gericht op fusiestimulering in het voortgezet onderwijs. De stimulering van scholengemeenschapsvorming leidt tot een aantal maatregelen, waaronder het verlenen van prioriteit aan projectvoorstellen van scholengemeenschappen voor (v.w.o.)/a.v.o./v.b.o. Scholen in deze categorie, waarbij een besluit is genomen om te fuseren per 1 augustus 1993 of later en waarvoor een aanvraag voor een 75.a procedure bij het departement in behandeling is/wordt genomen, komen in aanmerking voor aanvullende urgentie. Om een mogelijk negatieve prikkel bij de vorming van scholengemeenschappen te voorkomen is besloten eveneens de urgentie van de huisvestingssituatie van de fuserende instellingen afzonderlijk te berekenen. Dit kan tot gevolg hebben, dat indien de prioriteit van de totale (toekomstige) fusieschool onvoldoende is voor vermelding op het (Intentioneel) Investeringsschema, voor de fusiepartner waarvan de prioriteit alszodanig wel voldoende is, toch vermelding plaats kan vinden. De gewenste voorziening van deze fusiepartner zal dienaangaande moeten passen binnen het instellingshuisvestingsbeleid van de nieuwe instelling. De projectomschrijving zal zonodig hierop moeten worden aangepast.
- b. Aanwending verkoopopbrengst onroerend goed In een toenemend aantal gevallen is er sprake van het afstoten van huisvesting. Als een dergelijk gebouw niet kan worden herbestemd voor het onderwijs, wordt het gebouw verkocht. Op grond van de met het Ministerie van Financiën overeengekomen regeling aanwending verkoopopbrengsten onroerend goed (de zogenaamde compensatie regeling) kan onder bepaalde voorwaarden de verkregen opbrengst uit verkoop van schoolgebouwen en terreinen voor voortgezet onderwijs worden gebruikt voor huisvesting van voortgezet onderwijs. Afhankelijk van de kwaliteit en gebruiksmogelijkheden van het gebouw, zal de opbrengst veelal voortvloeien uit verkoop van af te stoten terreinen minus sloopkosten. Een indicatie voor de omvang van de te verwachten opbrengst wordt verkregen door vermenigvuldiging van de oppervlakte van het betreffende terrein met de gemiddelde grondprijs per vierkante meter in de gemeente voor bijzondere bebouwing. Projectvoorstellen voor vermelding op het Intentioneel Investeringsschema waarbij met zekerheid een in relatie tot de te plegen investering substantiële verkoop opbrengst wordt gerealiseerd kan een aanvullende prioriteit worden toegekend. Bij de informatieformulieren dient in zo'n geval het bevoegd gezag een verklaring van de koper te voegen. Uit deze verklaring dient te blijken dat de koper bereid is het onroerend goed minimaal tegen de reële taxatiewaarde over te nemen. Op het moment dat de verkooptransactie geen doorgang vindt vervalt de extra prioriteit. Dit kan ertoe leiden dat bij de weging van het betreffende project zonder de extra compensatiepunten dit project later wordt ingeschaald of niet meer wordt vermeld.
- c. Herschikking van gebouwen over meerdere onderwijsinstellingen Het accent bij het realiseren van optimale onderwijsinfrastructuur in de jaren negentig ligt mede op het kwantitatief en kwalitatief aanpassen van bestaande huisvesting. Redenen hiervoor zijn demografische ontwikkelingen, budgettaire beperkingen en het voorkomen van kapitaalvernietiging. Daarbij speelt herschikking van gebouwen over meerdere onderwijsinstellingen een grote rol. Onder een herschikkingsoperatie wordt verstaan het herverdelen van één of meerdere panden over twee of meer scholen, waardoor grote investeringen (met name nieuwbouw projecten) kunnen worden vermeden. Het belangrijkste criterium bij het beoordelen van herschikkingsvoorstellen is de kosten-baten analyse. De som van de investeringen van de totale herschikkingsoperatie dient lager te zijn dan de totale som van de individuele projectvoorstellen die alszodanig voldoende urgent zijn voor vermelding op het (Intentioneel)Investeringsschema VO/BVE 1994-1998. Ook besparingen op exploitatie-uitgaven kunnen bij de afweging worden betrokken. Investeringsvoorstellen die aan bovengenoemde criteria voldoen en die zijn onderbouwd in een instellingshuisvestingsplan, waarin een gedegen kosten-baten analyse is opgenomen, kunnen in aanmerking komen voor aanvullende prioriteit.
- a. Categoriale scholen en scholengemeenschappen onder de stichtingsnorm Voor het (Intentioneel) Investeringsschema 1994-1998 wordt uitgegaan van scholen en nieuw te vormen scholengemeenschappen met een prognose van minimaal de stichtingsnorm. Dit impliceert dat scholen die op zich voldoende prioriteitpunten scoren maar (in de toekomst) minder leerlingen hebben dan de stichtingsnorm, niet op het (Intentioneel) Investeringsschema worden vermeld. In verband met het ingezette beleid ten aanzien van de vorming van scholengemeenschappen in de eerste fase van het voortgezet onderwijs wordt hierop een uitzondering gemaakt indien aan een aantal aanvullende criteria wordt voldaan. De criteria waaraan moet worden voldaan zijn:
- het betreft een scholengemeenschap voor (v.w.o.)/a.v.o./v.b.o.; en
- er ligt een fusiebesluit waardoor de school alsnog boven de stichtingsnorm komt. Dit laatste criterium is niet van toepassing indien, ook volgens het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, geen fusiepartners aanwezig zijn. Dit laat onverlet dat voor scholen waarvan het (te verwachten) aantal leerlingen minder bedraagt dan de stichtingsnorm door middel van een tijdelijke voorziening in de huisvesting kan worden voorzien.
- b. Voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en cursorisch beroepsonderwijs Bij de beoordeling van aanvragen huisvestingsvoorzieningen in deze sectoren worden de bepalingen uit de door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstellen cursorisch beroepsonderwijs (c.b.o.) en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (v.a.v.o.) gehanteerd. Deze bepalingen moeten leiden tot schaalvergroting ondermeer te realiseren door herschikking en fusie. Het streven is uiteindelijk gericht op verdere concentratie van het aanbod van secundair beroepsonderwijs en volwasseneneducatie in regionale opleidingscentra (r.o.c.'s). Uitgangspunt voor de huisvesting van het v.a.v.o. en c.b.o. is huur, medegebruik danwel hergebruik van huisvesting. Aanvragen voor blijvende voorzieningen in de huisvesting voor deze sectoren zullen worden beoordeeld in samenhang met plannen omtrent r.o.c.-vorming. Het recht op voortzetting van de bekostiging van scholen wordt vastgesteld door middel van het Plan van Spreiding en Situering 1993 voor zowel het v.a.v.o. als het c.b.o., waarbij de volgende normen gelden: Bij de totstandkoming van de Plannen van Spreiding en Situering voor het v.a.v.o. en het c.b.o. heeft de minister de bevoegdheid om in bijzondere gevallen af te wijken van de bovenstaande getalsnormen. Voor het (Intentioneel) Investeringsschema kunnen slechts projectvoorstellen in behandeling worden genomen van scholen die voldoen aan uiteindelijke getalsnormen op basis van de prognoses voor de lange termijn.
- zelfstandige b.b.o./deeltijd kort-m.b.o. school : 1800 leerlingen
- zelfstandige v.a.v.o. school : 1100 deeltijdequivalenten
- scholengemeenschap m.b.o./b.b.o: voor m.b.o : 600 leerlingen voor b.b.o : 900 leerlingen
- scholengemeenschap b.b.o./v.a.v.o: voor b.b.o : 1800 leerlingen voor v.a.v.o : 800 deeltijdequivalenten
- scholengemeenschap m.b.o./v.a.v.o: voor m.b.o : 600 leerlingen voor v.a.v.o : 800 deeltijdequivalenten
- c. Nevenvestigingen; (v.w.o.)/a.v.o./v.b.o. Tot voor kort kenden scholen slechts twee typen lokaties: de hoofdvestiging en eventueel (een) dislokatie(s) met een tijdelijk karakter. Door wijziging van de W.V.O in het kader van de invoering van basisvorming/scholengemeenschapsvorming is het voor scholen voortaan mogelijk onder bepaalde voorwaarden nevenvestigingen in stand te houden. De wet onderscheidt nevenvestigingen met en nevenvestigingen zonder spreidingsnoodzaak (zie voor nadere toelichting de brochure ‘Scholengemeenschapsvorming in het kader van de basisvorming’). Bij de afweging van aanvragen voor het (Intentioneel) Investeringsschema blijft voorop staan dat huisvestingsinvesteringen in principe slechts worden toegestaan in de hoofdvestiging. Investeringen via het Intentioneel Investeringsschema in dislokaties worden in principe niet toegestaan. Ook bij nevenvestigingen blijft in algemene zin het doelmatigheidscriterium vooropstaan. Om recht te doen aan het eigensoortige karakter van een nevenvestiging wordt de volgende beleidslijn gehanteerd:
- Investeringen in nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak worden in principe beoordeeld onafhankelijk van de (ruimte in de) hoofdvestiging. Dit betekent dat een aparte ugentieberekening wordt opgesteld. Bij de planbeoordeling wordt de beschikbare ruimte in de hoofdvestiging en/of eventuele dislokaties wel in de overweging betrokken waar het gaat om de investeringen ten behoeve van voorzieningen die betrekking hebben op de afsluiting van een schoolsoort (bijvoorbeeld praktijklokalen ten behoeve van het v.b.o.)
- Bij nevenvestigingen zonder spreidingsnoodzaak wordt de instelling voor wat betreft de urgentiebepaling als één geheel beschouwd. Bij investeringen ten behoeve van nevenvestigingen zonder spreidingsnoodzaak zal het doelmatigheidscriterium nadrukkelijk worden gehanteerd. Dit betekent dat naast de aanwezige ruimten op de nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak ook de aanwezige ruimten in de hoofdvestiging (en eventuele dislokaties) in de integrale afweging zullen worden betrokken.
- d. M.b.o. Uitgangspunt voor het investeringsbeleid voor het m.b.o. is concentratie van het onderwijs in de hoofdvestiging. Dit heeft tot gevolg dat investeringen op dislokaties in principe achterwege zullen blijven. In die gevallen waar naast de hoofdvestiging een nevenvestiging is goedgekeurd kan op voorstel van het bevoegd gezag een investeringsvoorstel wel in overweging worden genomen. Zowel voor de hoofdvestiging als voor de nevenvestiging zal de urgentie apart worden berekend. Op grond van de urgentie en een kosten-baten analyse zal worden bezien in hoeverre investeringen op nevenvestigingen verantwoord zijn. Slechts in zeer specifieke omstandigheden is het mogelijk multisectorale clustering op een unilocatie tot stand te brengen. Gelet op de beperkte financiële ruimte is het streven dan ook met name gericht op sectorale clustering, dat wil zeggen concentratie per sector binnen een straal van drie kilometer. Deze concentratie zal in de meeste gevallen gefaseerd plaats moeten vinden. Bij de concentratie gelden de volgende afwegingen: De fasering van de concentratie kan in een Instellingshuisvestingsplan uiteen worden gezet. De reeds eerder toegekende beleidsprioriteit aan projecten die zijn vermeld op het Intentioneel Investeringsschema 1993-1997 zal worden gehandhaafd, voorzover er geen reden is tot bijstelling.
- vervangen van bouwkundig slechte huisvesting;
- afstoten van huurpanden en noodhuisvesting;
- opheffen van dislokatie(s) buiten de concentratiezône;
- opbrengsten van af te stoten eigendomsgebouwen;
- beschikbaarheid van panden uit het overige onderwijs.