Bijlage A Blav: behorende bij het Besluit luchtemissies afvalverbranding Voorschriften voor afvalverbrandingsinrichtingen als bedoeld in artikel 2, onder A

Besluit luchtemissies afvalverbranding (Blav)

Een inrichting is voorzien van: 2.1. De temperatuur in een verbrandingsoven bedraagt tijdens de verbranding in de vuurhaard ten minste 850° C bij een volumegehalte aan zuurstof van ten minste 6 procent. 2.2. De verblijftijd van de rookgassen bedraagt ten minste twee seconden onder de omstandigheden, bedoeld onder 2.1. Per component mag de uitworp met de rookgassen niet meer bedragen dan de hieronder vermelde emissiegrenswaarde: Component emissiegrenswaarden a. Totaal stof 5 mg/m3 b. Zoutzuurgas 10 mg/m3 c. Fluorwaterstof 1 mg/m3 d. CO 50 mg/m3 e. Gasvormige organische verbindingen 10 mg/m3 f. SO2 40 mg/m3 g. NOx 70 mg/m3 h. Totaal zware metalen 1 mg/m3 i. Cadmium 0,05 mg/m3 j. Kwik 0,05 mg/m3 k. PCDD's + PCDF's 0,1 ng I-TEQ/m3 4.1. 4.2. 4.3. 5.1. Voor de berekening van de uitworp met de rookgassen wordt de massaconcentratie van de onder 3 bedoelde componenten herleid op droog rookgas met een temperatuur van 273 Kelvin, een druk van 101,3 kiloPascal en een volumegehalte aan zuurstof van 11 procent. 5.2. Het zuurstofgehalte, bedoeld onder 2.1, wordt herleid op droog rookgas. 5.3. De hieronder vermelde componenten worden als volgt berekend: 5.4. Bij een continue meting als bedoeld onder 4.1, onderdeel a, met uitzondering van NOx, totaal stof en zoutzuurgas, geldt een emissie-eis als in acht genomen, indien per component 97 procent van de rekenkundig uurgemiddelde massaconcentraties over elk kalenderjaar niet boven de onder 3 genoemde emissiegrenswaarde ligt. 5.4.a Bij een continue meting als bedoeld onder 4.1, onderdeel a, geldt de emissie-eis voor NOx als in acht genomen, indien 97 procent van de 24-uurgemiddelde massaconcentratie over elk kalenderjaar niet boven de onder 3 genoemde emissiegrenswaarde ligt. 5.5. Bij een afzonderlijke meting als bedoeld onder 4.1, onderdeel b, geldt een emissie-eis als in acht genomen, indien geen enkele meetuitkomst boven de voor de betrokken component, onder 3 bedoelde emissiegrenswaarde ligt. 6.1. Indien uit de metingen of registrat