Art. 3 Nadere regeling aflopende toelage artikel 18 BBRA 1984, Uitkeringsperiode

Nadere regeling aflopende toelage artikel 18 BBRA 1984

De uitkeringsperiode voor de toelage is gelijk aan het naar boven op een maand afgeronde één vierde gedeelte van de tijd, gedurende welke de ambtenaar, direct voorafgaande aan het tijdstip van de in artikel 18, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit bedoelde blijvende verlaging van de bezoldiging, zonder onderbreking van twaalf maanden of langer toelage onregelmatige dienst heeft genoten. Aan de uitkeringsperiode voor de toelage is een maximum verbonden van drie jaar.