Bijlage 8 Thema's voor het centraal examen maatschappijleer 1993–1994
Thema's voor het centraal examen maatschappijleer 1993–1994
Thema Massamedia (m.a.v.o. en l.b.o. C/D) (themaveld: Opvoeding en vorming). Bij dit thema zijn centrale vraagstellingen hoe de media in ons land functioneren en welke rol zij spelen in socialisatieprocessen. In de algemene categorie A komt de vraag aan de orde wat massamedia zijn, welke aspecten in het functioneren van massamedia kunnen worden onderkend. In de politiek-juridische categorie B komen aan de orde op welke wijze de overheid zich in ons land bezighoudt met massamedia en welke politieke visies er over het mediabeleid bestaan. In de sociaal-economische categorie C gaat het over massamedia en commercie, persconcentratie en monopolievorming en over massamedia en de derde wereld. In de sociaal-culturele categorie D komen de vragen aan de orde m.b.t. selectieprocessen, de overdracht van waarden, normen, cultuur, vooroordelen en stereotypen, opvattingen over de invloed van media, pluriformiteit van de media, verzuiling en ontzuiling en de indentiteit van landelijke dagbladen en omroeporganisaties. Het onderstaande is een inhoudsomschrijving ‘nieuwe stijl’; er is een onderscheid gemaakt tussen centrale ‘koepeleindtermen’ (cursief) en daarvan afgeleid, meer concrete eindtermen. De eindtermen die zijn voorzien van twee asterisken (**) zijn niet afvraagbaar in het centraal (schriftelijk) examen; zij worden vermeld als aanvullende suggestie voor de lespraktijk en voor het schoolonderzoek. Eindtermen, voorzien van één asterisk (*) zijn alleen afvraagbaar voor kandidaten die examen doen volgens D-programma.
- 1. Kandidaten kunnen het begrip massamedia omschrijven en verschillende soorten massamedia herkennen.
- 1.1 ** Kandidaten kunnen uiteenzetten wat massacommunicatie is.
- 1.2 Kandidaten kunnen uiteenzetten wat massamedia zijn en hiervan voorbeelden geven.
- 1.3 Kandidaten kunnen verschillende soorten van gedrukte massamedia noemen en herkennen, m.n. dagbladen, opiniebladen, huis-aan-huisbladen, familie-bladen en gossip-bladen.
- 1.4 Kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld uitleggen wat het verschil is tussen landelijke en regionale dagbladen.
- 1.5 * Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met het onderscheid tussen populaire kranten en kwaliteitskranten.
- 1.6 Kandidaten kunnen verschillende soorten omroepmedia noemen en herkennen, t.w. lokale omroep, omroepen gericht op Nederland (publieksomroep/commerciële omroep) en omroepen gericht op meerdere landen.
- 2. Kandidaten kunnen aspecten van massamedia noemen en in voorbeelden herkennen.
- 2.1 Kandidaten kunnen de volgende aspecten van media herkennen:
- het informatieve aspect
- het opiniërende aspect
- het amusementsaspect
- het reclame-aspect
- het onderwijsaspect
- 2.2 Kandidaten kunnen rubrieken in kranten en radio- en televisieprogramma's in verband brengen met de in A 3.1 genoemde aspecten van massamedia.
- 2.3 * Kandidaten kunnen uitleggen dat massamedia een belangrijke betekenis hebben voor:
- cultuuroverdracht
- democratische besluitvorming
- vrijetijdsbesteding
- 1. Kandidaten kunnen uitleggen op welke wijze de overheid in ons land zich bezighoudt met de massamedia.
- 1.1 * Kandidaten kunnen uitleggen waarom het grondwettelijke recht op vrijheid van meningsuiting van belang is voor het functioneren van de democratie.
- 1.2 Kandidaten kunnen aan de hand van de regels die de overheid stelt aan de publieke omroepen uitleggen wat de bedoeling van het publieke omroepbestel is.
- 1.3 * Kandidaten kunnen recente ontwikkelingen met betrekking tot het omroepbestel typeren.
- 1.4 * Kandidaten kunnen uitleggen dat de instelling van het Bedrijfsfonds voor de Pers bedoeld is om de pluriformiteit van de pers te handhaven.
- 1.5 * Kandidaten kunnen uitleggen waarom de overheid zich nadrukkelijker met de omroep dan met de pers bemoeit.
- 2. * Kandidaten kunnen politieke visies op het mediabeleid herkennen.
- 2.1 * Kandidaten kunnen in de politieke discussie over het omroepbestel verschillende visies en belangen herkennen.
- 2.2 * Kandidaten zijn in staat opvattingen over het omroepbestel te relateren aan de belangrijkste politieke stromingen in ons land.
- 1. Kandidaten kunnen een verband leggen tussen massamedia en commercie.
- 1.1 Kandidaten kunnen het begrip commercie in relatie tot de media omschrijven.
- 1.2 Kandidaten kunnen uitleggen dat dagbladen en tijdschriften (mede) worden uitgegeven met een commerciële doelstelling.
- 1.2.1 Kandidaten kunnen uitleggen hoe dagbladen/tijdschriften aan hun inkomsten komen.
- 1.2.2 * Kandidaten kunnen aan de hand van voorbeelden uitleggen welke (gezamenlijke en tegengestelde) belangen er (kunnen) bestaan bij de redactie en directie van een krant.
- 1.2.3 * Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt geregeld in een redactiestatuut.
- 1.3 Kandidaten kunnen verschillen omschrijven en herkennen tussen commerciële omroeporganisaties en publieke omroeporganisaties.
- 1.3.1 Kandidaten kunnen uitleggen hoe omroeporganisaties aan hun inkomsten komen.
- 1.4 Kandidaten kunnen uitleggen/herkennen welke invloed commercie (marktgerichtheid) kan hebben op de inhoud van kranten, tijdschrifen en radio- en televisie-programmering.
- 2. ** Kandidaten kunnen in relatie tot de media in onze samenleving de betekenis van persconcentratie en monopolievorming herkennen.
- 2.1 ** Kandidaten kunnen uitleggen wat de begrippen persconcentratie en monopolievorming betekenen.
- 2.2 ** Kandidaten kunnen gevolgen herkennen voor het informatie-aanbod van persconcentratie en monopolievorming.
- 2.3 ** Kandidaten kunnen twee oorzaken noemen van het verschijnsel persconcentratie.
- 3. ** Kandidaten kunnen kanttekeningen plaatsen bij het nieuwsaanbod uit en over de Derde Wereld.
- 3.1 ** Kandidaten kunnen uiteenzetten op welke wijze Nederlandse media aan nieuws over andere landen op de wereld komen.
- 3.2 ** Kandidaten kunnen een (economische) verklaring geven voor het feit, dat in Nederland relatief meer informatie wordt verstrekt over de westerse wereld dan over derde wereld landen (uitgezonderd landen die voor het westen van belang zijn).
- 3.3 ** Kandidaten kunnen in dit verband een verklaring geven voor het ontstaan van de relatief jonge persbureaus in de Derde Wereld.
- 1. Kandidaten kunnen uiteenzetten dat:
- de inhoud en vorm van een dagblad;
- de samenstelling, inhoud en vorm van televisieprogramma's het resultaat zijn van selectieprocessen.
- 1.1 * Kandidaten kunnen de begrippen selectieve perceptie, referentiekader, waarden en normen toepassen in relatie tot de vraag hoe nieuws en andere media-boodschappen tot stand komen.
- 1.2 Kandidaten kunnen uiteenzetten dat het dagelijks gepresenteerde nieuws het resultaat is van een selectieproces, waarbij verschillende bronnen en functionarissen een rol spelen.
- 1.2.1 * Kandidaten kunnen kanttekeningen plaatsen bij de vraag of objectieve informatie mogelijk is.
- 2. * Kandidaten kunnen aan de hand van voorbeelden aangeven dat media een rol vervullen bij de overdracht van:
- waarden;
- normen;
- cultuur;
- vooroordelen en stereotypen.
- 2.1 * Kandidaten kunnen uitleggen dat media een beeld van de werkelijkheid presenteren en niet de werkelijkheid.
- 3. * Kandidaten kunnen opvattingen over de invloed van media noemen en in voorbeelden herkennen.
- 3.1 * Kandidaten kunnen de begrippen selectieve perceptie, referentiekader, waarden en normen toepassen m.b.t. de vraag naar de invloed van media-boodschappen op ons denken en handelen.
- 3.2 * Kandidaten kunnen twee visies noemen waaruit blijkt, dat er verschillend werd/wordt gedacht over de invloed van massamedia op ons denken en handelen.
- 3.3 * Kandidaten kunnen de beide visies toepassen ten aanzien van een aangeboden probleemstelling.
- 4. Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met de pluriformiteit van de massamedia.
- 5. * Kandidaten kunnen uitleggen wat de betekenis van verzuiling en ontzuiling is voor de media.
- 5.1 * Kandidaten kunnen m.b.t. de massamedia uiteenzetten wat verzuiling is.
- 5.2 * Kandidaten kunnen m.b.t. de massamedia uiteenzetten wat wordt bedoeld met ontzuiling.
- 6. Kandidaten kunnen de op Nederland gerichte omroeporganisaties met elkaar vergelijken.
- 6.1 Kandidaten kunnen het verschil tussen publieke omroepen en commerciële omroepen uitleggen.
- 6.2 Kandidaten kunnen de identiteit van omroepen herkennen aan de hand van:
- verschil in accent dat zij leggen op informatie of amusement,
- hun levensbeschouwelijke achtergrond,
- de doelgroepen waarop zij zich richten,
- de manier waarop zij zich presenteren.
- 7. Kandidaten kunnen verschillende landelijke dagbladen met elkaar vergelijken a.d.h.v. hun politieke en/of levensbeschouwelijke achtergrond (‘kleur’).