Bijlage 6 Thema's voor het centraal examen maatschappijleer 1993–1994
Thema's voor het centraal examen maatschappijleer 1993–1994
Thema Politieke besluitvorming (m.a.v.o. en l.b.o. C/D) (themaveld: Staat en maatschappij) Centrale vraagstelling bij het thema Politieke Besluitvorming is de vraag hoe op het niveau van de landelijke overheid in Nederland politieke besluiten tot stand komen. In de categorie politiek-juridisch komen vragen aan de orde als wie betrokken zijn bij de totstandkoming van het overheidsbeleid en welke knelpunten er gesignaleerd worden in het besluitvormingsproces. In de sociaal-economische categorie B zijn eindtermen geformuleerd over vragen als welke groepen en instellingen in de maatschappij naast politeke partijen en politieke instituties een rol spelen in het politieke besluitvormingsproces en welke mogelijkheden belangen- of pressiegroepen hebben op dat proces te beïnvloeden. In de sociaal-culturele categorie komen de volgende vragen aan de orde: welke maatschappijvisies spelen een rol in het denken over de politiek, welke politieke partijen en stromingen zijn met die visies verwant en wat zijn de belangrijkste opvattingen van in het parlement vertegenwoordigde partijen. De onderstaande inhoudsomschrijving is identiek aan die voor de examens van 1991 en 1992. De eindtermen die zijn voorzien van twee asterisken (**) zijn niet afvraagbaar in het centraal (schriftelijk) examen; zij worden vermeld als aanvullende suggestie voor de lespraktijk en voor het schoolonderzoek. Eindtermen, voorzien van één asterisk (*) zijn alleen afvraagbaar voor kandidaten die examen doen volgens D-programma. Hoe komt overheidsbeleid tot stand? Wie zijn betrokken bij de totstandkoming van overheidsbeleid? Welke knelpunten kunnen onderkend worden in het functioneren van het besluitvormingsproces? Welke groepen en instellingen in de maatschappij spelen naast politieke partijen en politieke instituties een rol in het proces dat uiteindelijk leidt tot politieke besluitvorming? Welke mogelijkheden hebben belangen- of pressiegroepen om de politieke besluitvorming te beïnvloeden? Zijn er verschillen
- 1.1 Kandidaten kunnen een aantal fasen in het totstandkomen van politieke beslissingen onderkennen en aangeven welke organen, organisaties, instellingen of personen in de verschillende fasen van het politieke proces een belangrijke rol vervullen.
- 1.2 * Kandidaten kunnen aan de hand van een voorbeeld duidelijk maken, dat de resultaten van politieke besluitvorming (bijv. wetten) nieuwe wensen of problemen in de samenleving kunnen oproepen.
- 1.3 Kandidaten kunnen verklaren dat politieke opstellingen en besluiten het resultaat zijn van het stellen van prioriteiten en het sluiten van compromissen.
- 2.1 Kandidaten kunnen in gegeven materiaal de taken herkennen van regering en parlement.
- 2.2 Kandidaten kunnen aan de hand van gegeven materiaal verduidelijken wat de verhouding is tussen regering en parlement.
- 3. * Kandidaten kunnen herkennen wat de rol van ambtenaren is in het politieke proces.
- 4. Kandidaten kunnen herkennen wat de rol van politieke partijen in het besluitvormingsproces is.
- 5.1 Kandidaten kunnen uitleggen wat het begrip democratie betekent.
- 5.2 Kandidaten kunnen voorbeelden geven welke mogelijkheden burgers hebben om invloed uit te oefenen op politieke besluitvormingsprocessen.
- 6.1 * Kandidaten kunnen een aantal bezwaren noemen die naar voren worden gebracht ten aanzien van het functioneren van het politieke besluitvormingsproces in ons land.
- 6.2 * Kandidaten kunnen een voorbeeld beschrijven van een voorstel tot wijziging van ons politieke stelsel, dat is bedoeld om aan de in 6.1. genoemde bezwaren tegemoet te komen.
- 1.1 Kandidaten kunnen actuele voorbeelden noemen van belangen- of pressiegroepen.
- 1.2 Kandidaten kunnen verschillen aangeven tussen politieke partijen en belangen- of pressiegroepen.
- 2. Kandidaten kunnen voorbeelden noemen van de wijze waarop belangen- of pressiegroepen proberen de politieke besluitvorming te beïnvloeden.
- 3. Kandidaten kunnen hun mening geven over de vraag hoe politieke macht in een samenleving als de onze is verdeeld.
- 1.1 Kandidaten kunnen een bepaald standpunt als liberaal herkennen.
- 1.2 Kandidaten kunnen een bepaald standpunt als democratisch-socialistisch herkennen.
- 1.3 Kandidaten kunnen een bepaald standpunt als christendemocratisch herkennen.
- 1.4 Kandidaten kunnen een bepaald standpunt als communistisch herkennen.
- 1.5 Kandidaten kunnen een bepaald standpunt als fascistisch herkennen.
- 2. Kandidaten kunnen standpunten van politieke partijen in Nederland in verband brengen met politieke stromingen.
- 3. Kandidaten zijn in staat gegeven uitspraken in verband te brengen met eveneens gegeven politieke partijen.