Bijlage 5 Thema's voor het centraal examen maatschappijleer 1993–1994
Thema's voor het centraal examen maatschappijleer 1993–1994
Thema Criminaliteit en strafrecht (h.a.v.o.) (themaveld: Staat en maatschappij; Woon- en leefmilieu). Centrale vraagstelling voor het thema Criminaliteit en Strafrecht is wat de (maatschappelijke) oorzaken zijn van de toename van (bepaalde vormen van) criminaliteit en op welke wijze criminaliteit kan worden aangepakt c.q. voorkomen. In de algemene categorie A zijn eindtermen geformuleerd over wat in de Nederlandse rechtsstaat onder criminaliteit moet worden verstaan, waarom het een politiek en sociaal probleem is en hoe de omvang van het probleem kan worden vastgesteld. In de politiek-juridische categorie B gaat het om het beleid van de overheid bij het voorkómen en bestrijden van criminaliteit; de rechtsstaat en uitgangspunten van het Nederlandse strafrecht; taken van politie en justitie; de organisatie en het functioneren van de rechterlijke macht. Bij de sociale en economische aspecten in categorie C komt het verband tussen sociale omstandigheden en criminaliteit aan de orde. Tevens wordt ingegaan op de rol van burgers en maatschappelijke groeperingen m.b.t. de aanpak van de criminaliteit. In de sociaal-culturele categorie D komt de relativiteit van het begrip criminaliteit aan de orde en wordt ingegaan op de relatie tussen waarden en normen en criminaliteit. In deze categorie worden ook verschillende visies op het ontstaan van criminaliteit behandeld. Het onderstaande is een inhoudsomschrijving ‘nieuwe stijl’; er is een onderscheid gemaakt tussen centrale ‘koepeleindtermen’ (cursief) en daarvan afgeleid, meer concrete eindtermen.
- 1. Kandidaten kunnen uitleggen wat onder criminaliteit wordt verstaan.
- 1.1 Kandidaten kunnen het begrip criminaliteit beschrijven en in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 1.2 Kandidaten kunnen uitleggen wat het onderscheid is tussen strafbaar gedrag en strafwaardig gedrag en kunnen dit herkennen in (actuele) voorbeelden.
- 1.3 Kandidaten kunnen een omschrijving geven van het begrip kleine criminaliteit/veel voorkomende criminaliteit.
- 1.4 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen waarom criminaliteit als een sociaal en politiek probleem wordt beschouwd.
- 2. Kandidaten kunnen methoden omschrijven die er zijn om de omvang van de criminaliteit te onderzoeken.
- 2.1 Kandidaten kunnen uitleggen op welke manieren een beeld van de omvang van de criminaliteit kan worden verkregen en kunnen kanttekeningen plaatsen bij de verschillende onderzoeksmethodes.
- 2.2 Kandidaten kunnen aan de hand van een aantal statistische gegevens in grote lijnen de omvang en ontwikkeling van de geregistreerde criminaliteit beschrijven en hierbij kanttekeningen plaatsen.
- 1. Kandidaten kunnen de beginselen van de rechtsstaat en het Nederlandse straf- en procesrecht omschrijven.
- 1.1 Kandidaten kunnen de beginselen van de rechtsstaat omschrijven.
- 1.2 Kandidaten kunnen de uitgangspunten van het Nederlandse straf- en strafprocesrecht omschrijven en in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 2. Kandidaten kunnen omschrijven op welke manier de staat is betrokken bij het voorkómen en bestrijden van criminaliteit.
- 3. Kandidaten kunnen aangeven in welke wetten is vastgelegd wat strafbaar gedrag is.
- 3.1 Kandidaten kunnen aangeven wat in het Wetboek van Strafrecht geregeld wordt.
- 3.2 Kandidaten kunnen naast het Wetboek van Strafrecht andere wetten noemen, waarin staat wat strafbaar gedrag is.
- 3.3 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen wat het verschil is tussen een overtreding en een misdrijf.
- 3.4 Kandidaten kunnen bepalingen uit het strafrecht noemen, die betrekking hebben op jongeren.
- 4. Kandidaten kunnen van verschillende straffen de bedoeling aangeven.
- 4.1 Kandidaten kunnen het onderscheid tussen hoofdstraffen, bijkomende straffen en maatregelen aangeven en deze herkennen in (actuele) voorbeelden.
- 4.2 Kandidaten kunnen vier voorwaarden voor strafbaarheid van een feit noemen en in (actuele) voorbeelden uitleggen of er sprake is van strafbaarheid.
- 4.3 Kandidaten kunnen twee soorten strafuitsluitingsgronden omschrijven en in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 4.4 Kandidaten kunnen de doelen van straffen noemen en in gegeven voorbeelden herkennen.
- 4.5 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen wat alternatieve straffen zijn en kunnen hun visie verwoorden op de mogelijke effecten hiervan.
- 4.6 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden een gemotiveerd standpunt innemen over het ‘nut’ van (bepaalde) straffen.
- 5. Kandidaten kunnen de taken van politie en Openbaar Ministerie omschrijven.
- 5.1 Kandidaten kunnen de drie hoofdtaken van de politie aangeven.
- 5.2 Kandidaten kunnen globaal aangeven welke bevoegdheden de politie heeft bij de opsporing van strafbare feiten, en kunnen uitleggen waarom een nauwe omschrijving van deze bevoegdheden van belang is.
- 5.3 Kandidaten kunnen taken en werkwijze van het Openbaar Ministerie omschrijven en in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 6. Kandidaten kunnen omschrijven hoe de strafrechtspraak in ons land is georganiseerd en aan de hand van (actuele) voorbeelden aangeven bij welke rechter een zaak behandeld zal worden.
- 7. Kandidaten kunnen omschrijven welke actoren betrokken zijn bij een strafproces.
- 7.1 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden de functies en de onderlinge relatie van de verschillende actoren bij een strafproces herkennen.
- 7.2 Kandidaten kunnen de rechten van een verdachte omschrijven en deze in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 7.3 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen hoe de positie van slachtoffers binnen het strafrecht is geregeld en voorstellen noemen ter verbetering ervan.
- 7.4 Kandidaten kunnen de taken en werkwijze van de reclassering omschrijven en in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 8. Kandidaten kunnen omschrijven op welke wijze de overheid zich bezighoudt met criminaliteit.
- 8.1 Kandidaten kunnen aangeven welke soorten beleid(smaatregelen) de overheid kan hanteren voor de bestrijding van de verschillende vormen van criminaliteit en kunnen deze in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 8.2 Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met het begrip pakkans en aan de hand van (actuele) voorbeelden aangeven welke factoren hierop van invloed zijn.
- 8.3 Kandidaten kunnen de ontwikkeling van de gevangeniswetgeving schetsen.
- 8.4 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen welke maatregelen de lokale of landelijke overheid kan nemen ter preventie van criminaliteit.
- 8.5 Kandidaten kunnen sociale, economische en/of culturele ontwikkelingen noemen, die volgens beleidsmakers verband houden met de toename van criminaliteit en dit in verband brengen met voorgestelde vormen van misdaadbestrijding.
- 8.6 Kandidaten kunnen aangeven met op welke vormen van criminaliteit het overheidsbeleid zich voornamelijk richt en welke andere aspecten regelmatig op de politieke agenda staan.
- 8.7 Kandidaten kunnen hoofdlijnen omschrijven in het actuele misdaadbestrijdingsbeleid.
- 8.8 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen welke vormen van criminaliteitsbestrijding de laatste jaren regelmatig op de politieke agenda komen en wat daar de achtergrond van is.
- 9. Kandidaten kunnen uitleggen welke opvattingen er bestaan over het overheidsbeleid ten aanzien van criminaliteit.
- 9.1 Kandidaten kunnen (typerende) standpunten van politieke partijen over criminaliteitsbestrijding verwoorden en in verband brengen met de ideologische stromingen, waartoe deze partijen behoren.
- 9.2 Kandidaten kunnen een gemotiveerd standpunt innemen omtrent de aanpak van criminaliteit in onze samenleving.
- 1. Kandidaten kunnen uitleggen dat de positie van groepen in de samenleving van invloed kan zijn op de mate van crimineel gedrag, alsook op de wijze waarop de justitie erop reageert.
- 1.1 Kandidaten kunnen uitleggen binnen welke sociale categorieën bepaalde vormen van criminaliteit vooral voorkomen.
- 1.2 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen dat sociaal milieu van invloed kan zijn op de wijze waarop politie, openbaar ministerie en rechter optreden tegen verdachten.
- 2. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen welke gevolgen criminaliteit heeft voor burger en samenleving.
- 3. Kandidaten weten welke maatschappelijke groeperingen of instellingen zijn betrokken bij het verschijnsel criminaliteit in de samenleving, en op welke wijze deze zijn betrokken.
- 3.1 Kandidaten kunnen voorbeelden noemen van manieren waarop burgers en bedrijven proberen criminaliteit te voorkomen en hierover een gemotiveerd standpunt innemen.
- 3.2 Kandidaten kunnen globaal aangeven welke maatschappelijke organisaties betrokken zijn bij criminaliteit en strafrechtsspraak.
- 1. Kandidaten kunnen beschrijven wat regels en normen zijn en wat de meer specifieke betekenis is van rechtsregels voor de samenleving.
- 1.1 Kandidaten kunnen een onderscheid maken tussen verschillende soorten regels/normen, waaronder rechtsregels, en deze in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 1.2 Kandidaten kunnen uitleggen wat de betekenis van rechtsregels is voor het samenleven van mensen en kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden aangeven dat als gevolg van de dynamiek in de maatschappelijke ontwikkelingen recht en rechtspraak voortdurend in beweging zijn.
- 2. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen dat het begrip criminaliteit tijd- en plaatsgebonden is.
- 3. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen dat de beeldvorming omtrent criminaliteit en misdadiger niet altijd in overeenstemming is met de werkelijkheid.
- 4. Kandidaten kunnen verschillende visies over het ontstaan van criminaliteit omschrijven.
- 4.1 Kandidaten kunnen enkele verschillende benaderingen voor de verklaring van criminaliteit omschrijven en deze aan de hand van (actuele) voorbeelden toelichten.
- 4.2 Kandidaten kunnen kanttekeningen plaatsen bij de hierboven genoemde visies en zij kunnen de verschillende visies op het ontstaan van criminaliteit toepassen bij het geven van verklaringen over het ontstaan of de toename van een gegeven vorm van criminaliteit. Ze zijn daarbij ook in staat een mening te geven over de gewenste aanpak.
- 4.3 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden factoren herkennen die van invloed zijn op de ontwikkeling van de veel voorkomende (‘kleine’) criminaliteit, t.w. stimulerende, gelegenheids- en afremmende factoren.