Bijlage 3 Thema's voor het centraal examen maatschappijleer 1993–1994
Thema's voor het centraal examen maatschappijleer 1993–1994
Thema Mens en werk (v.w.o.) (themaveld: Arbeid en vrije tijd). In het thema Mens en werk komen vraagstukken op het gebied van arbeid aan de orde op de volgende terreinen: arbeidsverdeling, arbeidsverhoudingen, arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en arbeidsinhoud. In categorie A ‘politiek-juridische aspecten’ wordt ingegaan op de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein. Daarbij komt ook de problematiek van de verzorgingsstaat aan de orde. Er wordt ook aandacht besteed aan ideologische visies op de rol van de staat op sociaal-economisch terrein. De categorie wordt afgesloten met eindtermen over het begrip economische orde. In de sociaal-economische categorie B staan de begrippen arbeidsverhoudingen en arbeidsverdeling centraal. Aan de orde komen o.a. relaties tussen werkgevers en werknemers en het vraagstuk van de sociale ongelijkheid. Visies op werk, waaronder de discussie over het arbeidsethos, staan centraal in categorie C ‘sociaal-culturele aspecten’. Het onderstaande is een inhoudsomschrijving ‘nieuwe stijl’; er is een onderscheid gemaakt tussen centrale ‘koepeleindtermen’ (cursief) en daarvan afgeleid, meer concrete eindtermen.
- 1. Kandidaten kunnen aangeven welke visies politieke stromingen in ons land hebben op:
- sociaal-economische vraagstukken (m.n. werkgelegenheid);
- de rol die de overheid op sociaal-economisch terrein dient te spelen.
- 1.1 Kandidaten kunnen kenmerken noemen van een liberale visie op de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein en t.a.v. belangrijke sociaal-economische vraagstukken. Zij kunnen deze kenmerken in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 1.2 Kandidaten kunnen kenmerken noemen van een christendemocratische visie op de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein en t.a.v. sociaal-economische vraagstukken. Zij kunnen deze kenmerken in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 1.3 Kandidaten kunnen kenmerken noemen van een democratisch-socialistische visie op sociaal-economische vraagstukken en de rol van de overheid op sociaal-economisch terrein. Zij kunnen deze kenmerken in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 1.4 Kandidaten kunnen in standpunten over sociaal-economische vraagstukken en de rol van de overheid elementen van een ecologische visie herkennen.
- 2. Kandidaten kunnen de ontwikkeling van de verzorgingsstaat schetsen en verschillende visies hierop herkennen.
- 2.1 Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met een verzorgingsstaat en kunnen in (actuele) voorbeelden kenmerken van de verzorgingsstaat herkennen.
- 2.2 Kandidaten kunnen de ontwikkeling van de verzorgingsstaat in verband brengen met sociaal-economische veranderingen.
- 2.3 Kandidaten kunnen visies van politieke stromingen op ontwikkelingen in de verzorgingsstaat herkennen.
- 2.4 Kandidaten kunnen hoofdlijnen van de actuele discussie over de verzorgingsstaat aangeven en in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 2.5 Kandidaten kunnen aangeven welke opvattingen politieke stromingen hebben over de verzorgingsstaat en deze opvattingen herkennen in (actuele) voorbeelden.
- 3. Kandidaten kunnen aangeven op welke verschillende manieren de overheid betrokken is bij het sociaal-economisch proces en deze herkennen in (actuele) voorbeelden.
- 3.1 Kandidaten kunnen aangeven op welke manieren de overheid actief kan zijn op de volgende beleidsterreinen: werkgelegenheid, arbeidsomstandigheden, arbeidsvoorwaarden, sociale wetgeving, emancipatiebeleid.
- 3.2 Kandidaten kunnen algemene doelstellingen van economische politiek omschrijven en in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 3.3 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden visies op de bestrijding van werkloosheid herkennen en in verband brengen met opvattingen van politieke stromingen.
- 3.4 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden het onderscheid tussen sociale verzekeringen en sociale voorzieningen uitleggen.
- 4. Kandidaten kunnen de economische orde van ons land vergelijken met die van andere landen.
- 4.1 Kandidaten kunnen omschrijven wat onder het begrip economische orde wordt verstaan.
- 4.2 Kandidaten kunnen drie typen van economische orde omschrijven en in actuele voorbeelden herkennen: een vrije markteconomie, een centraal geleide planeconomie en een gemengde economie.
- 4.3 Kandidaten kunnen voor- en nadelen van verschillende economische orden omschrijven.
- 1. Kandidaten kunnen maatschappelijke groeperingen noemen die betrokken zijn bij arbeid en aangeven wat hun belangen zijn, hoe ze zijn georganiseerd, en wat hun onderlinge verhoudingen zijn.
- 1.1 Kandidaten kunnen uitleggen hoe werknemers en werkgevers in ons land zijn georganiseerd en kunnen de belangrijkste van deze organisaties noemen.
- 1.2 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden belangen herkennen die gelden voor werknemers en werkgevers.
- 1.3 Kandidaten kunnen aangeven welke middelen werknemers- en werkgeversorganisaties hebben om voor hun belangen op te komen en deze herkennen in (actuele) voorbeelden.
- 1.4 Kandidaten kunnen omschrijven welke toetsingsnormen de rechter gebruikt als deze moet oordelen over het al dan niet geoorloofd zijn van een staking en deze normen herkennen in (actuele) voorbeelden.
- 1.5 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden factoren herkennen die van invloed zijn op de mate waarin werknemers- en werkgeversorganisaties erin slagen op te komen voor hun belangen, alsmede een gemotiveerd standpunt innemen over het optreden van deze organisaties.
- 1.6 Kandidaten kunnen een gemotiveerde mening geven over de (veranderende) betekenis van de vakbeweging in de samenleving.
- 1.7 Kandidaten kunnen voorbeelden geven van overleg en conflicten tussen werkgevers en werknemers.
- 1.8 Kandidaten kunnen uitleggen wat het verschil is tussen harmonie- en conflictdenken ten aanzien van de arbeidsverhoudingen, alsmede de huidige relatie tussen beide partijen typeren als transactiedenken.
- 1.9 Kandidaten kunnen de instelling van de S.E.R. en de Stichting van de Arbeid in verband brengen met het harmoniedenken.
- 2. Kandidaten kunnen uitleggen welke gevolgen arbeidsverdeling kan hebben voor een samenleving.
- 2.1 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen wat wordt bedoeld met technische en maatschappelijke arbeidsverdeling.
- 2.2 Kandidaten kunnen technologische ontwikkeling, arbeidsverdeling en sociale structuur met elkaar in verband brengen.
- 2.3 Kandidaten kunnen de begrippen sociale structuur, sociale stratificatie, mobiliteit en sociale ongelijkheid met elkaar in verband brengen en in (actuele) voorbeelden herkennen.
- 2.4 Kandidaten kunnen een aantal oorzaken omschrijven voor het ontstaan van sociale ongelijkheid.
- 2.5 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden sociale verschijnselen herkennen die samenhangen met de ontwikkeling van de industriële samenleving.
- 2.6 Kandidaten kunnen de zwakke positie verklaren van vrouwen, jongeren en etnische minderheden op de arbeidsmarkt.
- 2.7 Kandidaten kunnen voorbeelden geven van maatregelen, die zijn bedoeld voor het verbeteren van de positie van zwakke groepen op de arbeidsmarkt.
- 1. Kandidaten kunnen uitleggen wat de betekenis is van werk voor mens en samenleving.
- 1.1 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen wat wordt bedoeld met de materiële en immateriële functies die arbeid voor individuele mensen kan hebben.
- 1.2 Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden het verband verklaren tussen arbeid enerzijds en sociale positie, status en inkomen anderzijds.
- 1.3 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden factoren herkennen die van invloed zijn op de (maatschappelijke) waardering van verschillende soorten werk.
- 1.4 Kandidaten kunnen in (actuele) voorbeelden primaire en/of secundaire arbeidsvoorwaarden herkennen.
- 2. Kandidaten kunnen uitleggen hoe de opvattingen over (loon)arbeid zich in de loop der jaren hebben ontwikkeld en welke verschillende opvattingen over arbeid tegenwoordig kunnen worden onderscheiden.
- 2.1 Kandidaten kunnen aan de hand van typeringen uitleggen welke ontwikkelingen de waardering van arbeid (het arbeidsethos) heeft doorgemaakt.
- 2.2 Kandidaten kunnen elementen in (actuele) voorbeelden deze visies op het arbeidsethos herkennen.