Bijlage 1 Thema's voor het centraal examen maatschappijleer 1993–1994
Thema's voor het centraal examen maatschappijleer 1993–1994
Thema Politieke besluitvorming (v.w.o. en h.a.v.o.) (themaveld: Staat en maatschappij). De centrale vraag voor het thema Politieke besluitvorming luidt: Op welke wijze komen politieke besluiten in onze samenleving tot stand, en welke ideologische visies spelen hierbij een rol? In categorie A ‘Algemeen’ worden de basisbegrippen ‘politiek’ en ‘macht’ gedefinieerd. In de politiek-juridische categorie B worden twee modellen voor de beschrijving van het politieke besluitvormingsproces besproken, te weten de systeemtheorie en het barrièremodel. In relatie hiermee wordt de plaats van de volgende actoren in het proces van politieke besluitvorming besproken: regering, parlement, politieke partijen, ambtenaren, advies- en planbureaus en de massamedia. Daarbij wordt ook de vraag aan de orde gesteld naar het functioneren van deze actoren, alsmede naar het functioneren van het politieke proces. Als laatste komen in de politiek-juridische categorie verschillende staats- en regeringvormen aan de orde. Het begrip ‘democratie’ neemt hierbij een centrale plaats in. In de sociaal-economische categorie C wordt ingegaan op de rol van pressiegroepen in het proces van politieke besluitvoring. Tevens komen in deze categorie verschillende visies op de verdeling van macht in de samenleving aan de orde. In categorie D ‘sociaal-culturele aspecten’ staan de ideologische visies van politieke stromingen en partijen centraal. Daarnaast wordt ingegaan op de houding van burgers ten opzichte van de politiek. Beide aspecten hebben betrekking op het centrale begrip ‘politieke cultuur’. Eindtermen voorzien van een asterisk (*) zijn alleen afvraagbaar voor v.w.o.-niveau. De overige eindtermen gelden zowel voor h.a.v.o. als voor v.w.o. De onderstaande inhoudsomschrijving is identitiek aan die voor de examens van 1991 en 1992. Welke betekenissen heeft het begrip politiek? Hoe komt overheidsbeleid tot stand? Wie zijn betrokken bij de totstandkoming van overheidsbeleid? Welke knelpunten kunnen onderkend word
- 1. Kandidaten kunnen beschrijven welke betekenissen het begrip politiek heeft.
- 2. * Kandidaten kunnen uitleggen dat de betekenis die iemand geeft aan het begrip politiek vaak samenhangt met een achterliggende maatschappijvisie.
- 3. Kandidaten kunnen elementen herkennen die een rol spelen bij de totstandkoming van het overheidsbeleid.
- 4. Kandidaten kunnen het begrip macht omschrijven en verschillende bronnen van macht onderscheiden.
- 1. Kandidaten kunnen het proces van politieke besluitvorming typeren aan de hand van de begrippen politiek systeem, omgeving, invoer, omzetting, uitvoer en terugkoppeling.
- 2. Kandidaten kunnen aspecten van de omgeving van het politieke systeem herkennen, die van invloed kunnen zijn op politieke besluitvorming.
- 3. Kandidaten kunnen in concrete voorbeelden de invoer (input) van het politieke systeem herkennen.
- 4. Kandidaten kunnen uitleggen hoe binnen het politieke systeem eisen en steun omgezet worden in beleid.
- 5. Kandidaten kunnen in concrete voorbeelden de uitvoer (output) van het politieke systeem herkennen.
- 6. Kandidaten kunnen herkennen dat de resultaten van politieke besluitvorming reacties op kunnen roepen in de samenleving in de vorm van nieuwe eisen/wensen of (het onthouden van) steun.
- 7. Kandidaten kunnen uitleggen welke actoren (vooral) betrokken zijn bij politieke (besluitvormings)processen.
- 8. * Kandidaten kunnen kanttekeningen plaatsen bij een systeem-benadering als model van politieke besluitvorming.
- 9. Kandidaten kunnen aangeven in welk opzicht de barrière-benadering van het politieke proces een aanvulling is op het politiek-systeemmodel.
- 10. Kandidaten kunnen de taken beschrijven van regering en parlement.
- 11. Kandidaten kunnen aangeven welke middelen het parlement heeft om zijn medewetgevende en controlerende taak te vervullen.
- 12. Kandidaten kunnen uitleggen wat het verschil is tussen dualisme en monisme in een systeem van politieke besluitvorming.
- 13. * Kandidaten kunnen een onderbouwde visie geven op de machtsverhouding tussen parlement en kabinet.
- 14. Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met het begrip bureaucratie.
- 15. Kandidaten kunnen uitleggen wat de invloed van ambtenaren is in het politieke proces.
- 16. Kandidaten kunnen knelpunten onderscheiden in het functioneren van de overheidsbureaucratie.
- 17. * Kandidaten kunnen uitleggen welke rol adviesorganen en planbureaus spelen in de politieke besluitvorming.
- 18. * Kandidaten kunnen enkele belangrijke adviesorganen noemen en globaal aangeven wat hun taak is.
- 19. * Kandidaten kunnen enkele belangrijke planbureaus noemen en globaal aangeven wat hun taak is.
- 20. Kandidaten kunnen beschrijven welke rol massamedia kunnen spelen in het proces van politieke besluitvorming.
- 21. Kandidaten kunnen een aantal bezwaren noemen die naar voren worden gebracht ten aanzien van het functioneren van het politieke besluitvormingsproces in ons land.
- 22. Kandidaten kunnen een voorbeeld beschrijven van een voorstel tot wijziging van ons politiek stelsel, dat is bedoeld om aan de in eindterm 22 genoemde bezwaren tegemoet te komen.
- 23. Kandidaten kunnen de Nederlandse regeringsvorm typeren als een parlementaire democratie.
- 24. * Kandidaten kunnen uitleggen waarom het van belang is een onderscheid te maken tussen representatie en representativiteit.
- 25. * Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met directe en indirecte democratie.
- 26. Kandidaten kunnen kenmerkende verschillen tussen een stelsel met evenredige vertegenwoordiging en een meerderheidsstelsel onderscheiden.
- 27. Kandidaten kunnen kenmerkende verschillen onderscheiden tussen een parlementair en een presidentieel stelsel.
- 28. Kandidaten kunnen een ideaaltypisch onderscheid maken tussen een democratie volgens westers model en een socialistische (volks)democratie.
- 1. Kandidaten kunnen omschrijven wat wordt bedoeld met het begrip pressiegroep.
- 2. Kandidaten kunnen verschillen aangeven tussen politieke partijen en pressiegroepen.
- 3. Kandidaten kunnen actuele voorbeelden noemen van pressiegroepen.
- 4. Kandidaten kunnen verschillende vormen van politieke participatie onderscheiden.
- 5. Kandidaten kunnen aangeven welke vormen de politieke participatie van pressiegroepen aan kan nemen.
- 6. Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt verstaan onder het begrip burgerlijke ongehoorzaamheid.
- 7. * Kandidaten kunnen factoren bespreken die mogelijk van invloed zijn op de mate waarin belangen- en pressiegroepen er in slagen de politieke besluitvorming in een concreet geval te beïnvloeden.
- 8. V.w.o.:* Kandidaten kunnen verschillende visies onderscheiden met betrekking tot de vraag hoe politieke macht in samenlevingen als de onze is verdeeld. Zij moeten hierover tevens hun eigen mening kunnen verwoorden.
- 9. H.a.v.o.: Kandidaten kunnen hun mening geven over de vraag hoe politieke macht in samenlevingen als de onze is verdeeld.
- 1. * Kandidaten kunnen uitleggen wat onder politieke cultuur wordt verstaan.
- 2. * Kandidaten kunnen veranderingen beschrijven die zich sinds de jaren zestig hebben voorgedaan in de politieke cultuur van ons land.
- 3. Kandidaten kunnen een omschrijving geven van het begrip politieke ideologie.
- 4. * Kandidaten kunnen enkele functies van ideologieën onderscheiden.
- 5. * Kandidaten kunnen uitleggen hoe burgers politieke keuzen maken.
- 6. Kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met een politieke stroming.
- 7. Kandidaten kunnen criteria onderscheiden volgens welke politieke partijen worden ingedeeld.
- 8. Kandidaten kunnen belangrijke uitgangspunten van liberalisme herkennen.
- 9. Kandidaten kunnen uitleggen welke opvatting binnen het liberalisme bestaat over de rol die de overheid dient te spelen in de samenleving.
- 10. Kandidaten kunnen een bepaald standpunt als liberaal herkennen.
- 11. Kandidaten kunnen belangrijke uitgangspunten van het democratisch socialisme herkennen.
- 12. Kandidaten kunnen uitleggen welke opvatting binnen de sociaal-democratie bestaat over de rol die de overheid dient te spelen in de samenleving.
- 13. Kandidaten kunnen een bepaald standpunt als democratisch-socialistisch herkennen.
- 14. Kandidaten kunnen belangrijke uitgangspunten van de christen-democratie herkennen.
- 15. Kandidaten kunnen uitleggen welke opvatting binnen de christen-democratie bestaat over de rol die de overheid dient te spelen in de samenleving.
- 16. Kandidaten kunnen een bepaald standpunt als christendemocratisch herkennen.
- 17. Kandidaten kunnen belangrijke uitgangspunten van het communisme herkennen.
- 18. Kandidaten kunnen uitleggen welke opvatting binnen het communisme bestaat over de rol die de overheid dient te spelen in de samenleving.
- 19. Kandidaten kunnen een bepaald standpunt als communistisch herkennen.
- 20. Kandidaten kunnen belangrijke uitgangspunten van het fascisme herkennen.
- 21. Kandidaten kunnen uitleggen welke opvattingen binnen het fascisme bestaan over de rol die de overheid dient te spelen in de samenleving.
- 22. Kandidaten kunnen een bepaald standpunt als fascistisch herkennen.
- 23. Kandidaten kunnen standpunten van politieke partijen in Nederland in verband brengen met politieke stromingen.
- 24. Kandidaten zijn in staat gegeven uitspraken te herkennen als kenmerkend voor bepaalde politieke partijen.
- 25. Kandidaten zijn bekend met het niveau van politieke participatie in Nederland en kunnen factoren onderscheiden, die van invloed zijn op die participatie.
- 26. Kandidaten kunnen een aantal oorzaken beschrijven waarom mensen niet in politiek geïnteresseerd kunnen zijn.
- 27. Kandidaten kunnen een aantal redenen noemen en becommentariëren waarom mensen wel geïnteresseerd zijn (of zouden moeten zijn) in politiek.