Art. 7 Warenwetbesluit gastoestellen
1. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wijst de instellingen aan die:
a. bevoegd zijn het in artikel 5, tweede lid, onder a, bedoelde EG-type-onderzoek te verrichten;
b. bevoegd zijn tot het verrichten van steekproeven, EG-toezicht en EG-keuring zoals omschreven in de in artikel 5, tweede lid, onder a en b, bedoelde procedures.
2. Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, komen in aanmerking instanties die tenminste voldoen aan de in bijlage V genoemde voorwaarden.
3. Aan de krachtens het eerste lid aangewezen instellingen worden gelijkgesteld de door de daartoe bevoegde autoriteiten van de lid-staten van de Europese Gemeenschappen dan wel die van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in het kader van de richtlijn 90/396/EEG (PbEG L 196) aangewezen instellingen.
4. Onze Minister kan een aanwijzing schorsen, wijzigen of intrekken:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de aanwijzing redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan hij de aanwijzing niet zou hebben gegeven;
b. op grond van door de aangewezen instelling verstrekte onjuiste inlichtingen over feiten of omstandigheden, tenzij de onjuistheid daarvan aan de instelling onbekend was of kon zijn;
c. indien de aangewezen instelling niet meer voldoet aan de in bijlage V genoemde voorwaarden;
d. indien de aangewezen instelling gedurende een aaneengesloten periode van twee jaren geen werkzaamheden waarvoor zij is aangewezen, heeft uitgevoerd; of
e. indien de aangewezen instelling haar wettelijke verplichtingen niet naar behoren nakomt of de taken waarvoor zij is aangewezen, niet naar behoren uitvoert.