Bijlage C Regeling examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-l.b.o.
Regeling examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-l.b.o.
De kandidaat kan: De kandidaat kan: De kandidaat kan: De kandidaat kan: De kandidaat kan: De kandidaat kan: De kandidaat kan: 01. De Nederlandse Opstand 02. De Gouden Eeuw in de Lage Landen 03. De wording van de industriële samenleving in Nederland 04. Verzuiling en ontzuiling in Nederland 05. Ontwikkelingen in de leef- en denkwereld van de Middeleeuwse samenleving 06. De wortels van de westerse cultuur 07. De Tweede Wereldoorlog 08. Identiteit en invloed van de Islam 09. Ontwikkelingen in het Europese statensysteem 10. Een wereldmacht: traditie en verandering 11. De veranderende positie van de vrouw 12. De ontwikkeling naar een multi-etnische en multi-culturele samenleving 13. De wording van een nationale staat in de niet-westerse wereld 14. Revoluties en vrijheidsoorlogen 15. Internationale betrekkingen en blokvorming 01. De wording en het functioneren van de verzorgingsstaat 02. Partijvorming binnen het Nederlandse parlementaire stelsel 03. De betekenis van het proces van de (vrouwen)emancipatie voor het Nederlandse politieke systeem 04. De betekenis van de gemeente en provincie binnen het Nederlandse politieke systeem, o.a. processen van centralisatie of decentralisatie 05. Parlementaire democratie versus dictatuur 06. De ontwikkeling van de internationale rechtsorde. Treedt voor de eindexamens vwo, havo, mavo en lbo in werking met ingan van 1 augustus 1993. Treedt voor de staatsexamens vwo, havo en mavo in werking met ingang van 1 januari 1994.
- a. de aard van verschillende soorten (on)geschreven bronnen van elkaar onderscheiden;
- b. vraagstellingen en hypothesen gericht op (historisch) onderzoek formuleren aan de hand van voorgelegde bronnen;
- c. (fragmenten van) bronnen verzamelen uitgaande van een bepaalde hypothese of vraagstelling;
- d. de waarde van een bron of een fragment daaruit vaststellen met het oog op een bepaalde vraagstelling of hypothese en daarbij rekening houden met de betrouwbaarheid en de representativiteit van de bron.
- a. kritisch vaststellen wanneer men iets als een feit kan aanvaarden; zulke feiten onderscheiden van meningen en dus ook van vooroordelen en/of stereotypen;
- b. aangeven welke barrière(s) een objectieve weergave van de (historische) werkelijkheid in de weg staat(staan).
- a. het complexe karakter onderkennen van oorzaken van (historische) verschijnselen, gebeurtenissen en besluitvormingsprocessen en factoren aangeven die daarbij – meestal in combinatie – werkzaam zijn;
- b. onderscheid maken tussen het gewicht van verschillende oorzaken;
- c. gewilde en ongewilde, bedoelde en onbedoelde gevolgen van elkaar onderscheiden;
- d. direct optredende gevolgen onderscheiden van pas later aan de dag tredende gevolgen.
- a. in de loop der gebeurtenissen in een bepaald tijdvak een ontwikkeling/ontwikkelingen aanwijzen;
- b. zowel het unieke/bijzondere/incidentele als het meer constante/algemeen voorkomende/regelmatige in de geschiedenis onderscheiden;
- c. factoren onderkennen die ten grondslag liggen aan verandering van het bestaande en de weerstand daartegen;
- d. onderkennen dat elke tijd het verleden in zich draagt en als het produkt van een ontwikkeling moet worden gezien.
- a. zich verplaatsen in de motieven/interesses/waardensystemen/verwachtingen van andere mensen, ermee rekening houdend dat in historische situaties de mensen niet, zoals wij, achteraf kennis konden nemen van de latere gebeurtenissen;
- b. de standplaatsgebondenheid onderkennen van anderen en van zichzelf in tijd en plaats en de factoren die daarop van invloed kunnen zijn;
- c. situaties en personen (in het verleden) beoordelen, rekening houdend met de opvattingen uit de betrokken tijd.
- a. een geboden samenhang zien/begrijpen als een interpretatie temidden van vele mogelijkheden;
- b. een (historische) situatie zo goed mogelijk (re)construeren; daarbij en bij het oordelen erover rekening houdend met de diverse factoren die een mogelijke rol hebben gespeeld en met hun onderlinge samenhang;
- c. verbanden leggen tussen verzamelde gegevens;
- d. zelf een hoeveelheid gegevens in een interpretatie verwerken (b.v. scriptie of tentoonstelling);
- e. aantonen dat het vergelijken in de tijd het zicht op de eigen tijd vergroot;
- f. verworven inzichten toetsen aan nieuwe gegevens en verwerken tot nieuwe of bijgestelde inzichten.
- a. onderkennen dat een staat beantwoordt aan het samenstel van territorium, bevolking en instellingen; dat dit samenstel kenmerkend is voor de volledig-ontwikkelde soevereine staat, en dat dit verbonden is met de wordingsgeschiedenis;
- b. binnen een samenleving en tussen samenlevingen bestaande uiteenlopende belangen/wensen/doelstellingen onderkennen en begrijpen dat een en ander vaak compromissen noodzakelijk maakt;
- c. onderkennen dat beleidsvorming een proces en een vorm van interactie is;
- d. onderkennen dat er mogelijkheden zijn om beleidsprocessen te beïnvloeden;
- e. beleidsprocessen in samenlevingen analyseren en daarbij onderkennen dat, hoe, en waarom sommige personen en/of groepen meer invloed kunnen uitoefenen dan anderen;
- f. vanuit het eigen en andermans standpunt een keuze maken uit de beschikbare mogelijkheden en tegenstrijdige belangen en deze keuze beargumenteren;
- g. onderscheid maken tussen ideaal en werkelijkheid in de wording en werking van ons staatsbestel.