Bijlage B Regeling examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-l.b.o.
Regeling examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-l.b.o.
Het staatsexamen geschiedenis en staatsinrichting bestaat uit het schriftelijk examen en het mondeling examen. Het schriftelijk examen duurt voor v.w.o. en h.a.v.o. 3 uur en voor m.a.v.o. 2 uur. Het mondeling examen duurt voor alle schoolsoorten 25 minuten. In het examen wordt getoetst: Ter beoordeling van de staatsexamencommissie kan een of meer van de onderwerpen van het mondeling examen bestaan uit een door de kandidaat voorgedragen onderwerp, dat niet voor elke kandidaat hetzelfde is. De kandidaat kiest daartoe uit de onderwerpen en bijbehorende uitwerkingen die in voorgaande jaren onderdeel hebben uitgemaakt van het schriftelijk examen.
- a. De examenstof wordt aangegeven in de vorm van onderwerpen.
- b. Een onderwerp is een beperkte hoeveelheid stof van historisch belang, geplaatst in tijd en ruimte en gerelateerd aan een vraagstelling.
- c. Per onderwerp krijgt de relevante examenstof vorm door de koppeling van het betreffende onderwerp aan structuurbegrippen; aan genoemde structuurbegrippen zijn vaardigheden gebonden. De structuurbegrippen en vaardigheden zijn aangegeven in C-1.
- d. De onderwerpen van het schriftelijk examen zijn uitwerkingen van een themaveld. Een themaveld is een historische context (ontwikkelingen, vraagstellingen of gebeurtenissen) waarbinnen onderwerpen kunnen worden gekozen en uitgewerkt. De themavelden zijn aangegeven in C-2.
- e. De minister stelt een maal per vijf jaar de lijst van themavelden vast.
- a. Het schriftelijk examen heeft betrekking op twee onderwerpen, die door de Minister tenminste twee jaar voor de aanvang van het schooljaar waarin de onderwerpen worden geëxamineerd bekend worden gemaakt.
- b. De onderwerpen voor het schriftelijk examen worden door of in opdracht van de minister voorzien van een uitwerking.
- c. Voor elk examenjaar heeft een van de onderwerpen van het schriftelijk examen betrekking op Nederland en zijn kolonieën/rijksdelen.
- d. Het mondeling examen heeft betrekking op tenminste drie onderwerpen niet zijnde de onderwerpen die op het schriftelijk examen aan de orde komen.
- e. In elk examenjaar heeft een van de onderwerpen van het examen betrekking op de staatsinrichting van Nederland.
- a. De kennis van de tot het examen behorende stof;
- b. Bekendheid met de structuurbegrippen en beheersing van de daaraan verbonden vaardigheden;
- c. Het vermogen om de genoemde stof te plaatsen in de tijd.
- a. Onverminderd het gestelde in 3 sub c en e gelden ten aanzien van de onderwerpen voor het examen dat in de loop van drie achtereenvolgende examenjaren:
- 1. tenminste een onderwerp gewijd is aan ontwikkelingen, vraagstukken of gebeurtenissen uit prehistorie, oudheid, middeleeuwen en/of nieuwe geschiedenis die, hoewel in tijd verder verwijderd van de actuele samenleving dan het jaar 1870, voor onze tijd van belang zijn;
- 2. tenminste een onderwerp gewijd is aan historische achtergronden van actuele, na 1870 manifeste ontwikkelingen, vraagstukken of gebeurtenissen;
- 3. tenminste een onderwerp betrekking heeft op mondiale geschiedenis.
- b. Ten aanzien van de onder 5 sub a genoemde onderwerpen is er een evenwichtig verdeelde aandacht voor bestuurlijk-politieke, sociale, economische, culturele en mentaliteitsgeschiedenis alsmede voor de relaties daartussen.