Bijlage A Regeling examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-l.b.o.
Regeling examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-l.b.o.
Het examen geschiedenis en staatsinrichting bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen duurt voor v.w.o. en h.a.v.o. 3 uur en voor m.a.v.o. en l.b.o. 2 uur. In het examen wordt getoetst:
- a. De examenstof wordt aangegeven in de vorm van onderwerpen.
- b. Een onderwerp is een beperkte hoeveelheid stof van historisch belang, geplaatst in tijd en ruimte en gerelateerd aan een vraagstelling.
- c. Per onderwerp krijgt de relevante examenstof vorm door de koppeling van het betreffende onderwerp aan structuurbegrippen; aan genoemde structuurbegrippen zijn vaardigheden verbonden. De structuurbegrippen en vaardigheden zijn aangegeven in C-1.
- d. De onderwerpen van het centraal examen zijn uitwerkingen van een themaveld. Een themaveld is een historische context (ontwikkelingen, vraagstellingen of gebeurtenissen) waarbinnen onderwerpen kunnen worden gekozen en uitgewerkt. De themavelden zijn aangegeven in C-2.
- e. De minister stelt een maal per vijf jaar de lijst van themavelden vast.
- a. Het centraal examen heeft betrekking op twee onderwerpen, die door de minister tenminste twee jaar voor de aanvang van het schooljaar waarin de onderwerpen worden geëxamineerd bekend worden gemaakt.
- b. De onderwerpen voor het centraal examen worden door of in opdracht van de minister voorzien van een uitwerking.
- c. Voor elk examenjaar heeft een van de twee onderwerpen van het centraal examen betrekking op Nederland en zijn koloniën/rijksdelen.
- d. Het schoolonderzoek heeft betrekking op tenminste drie onderwerpen niet zijnde de onderwerpen die op het centraal examen aan de orde komen.
- e. In elk examenjaar heeft een van de onderwerpen van het examen betrekking op de staatsinrichting van Nederland.
- a. De kennis van de tot het examen behorende stof;
- b. Bekendheid met de structuurbegrippen en beheersing van de daaraan verbonden vaardigheden;
- c. Het vermogen om de genoemde stof te plaatsen in de tijd.
- a. Onverminderd het gestelde in 3 sub c en e geldt ten aanzien van de onderwerpen voor het examen dat in de loop van drie achtereenvolgende examenjaren:
- 1. tenminste een onderwerp gewijd is aan ontwikkelingen, vraagstukken of gebeurtenissen uit prehistorie, oudheid, middeleeuwen en/of nieuwe geschiedenis die, hoewel in tijd verder verwijderd van de actuele samenleving dan het jaar 1870, voor onze tijd van belang zijn;
- 2. tenminste een onderwerp gewijd is aan historische achtergronden van actuele, na 1870 manifeste ontwikkelingen, vraagstukken of gebeurtenissen;
- 3. tenminste een onderwerp betrekking heeft op mondiale geschiedenis.
- b. Ten aanzien van de onder 5 sub a genoemde onderwerpen is er een evenwichtig verdeelde aandacht voor bestuurlijk-politieke, sociale, economische, culturele geschiedenis en mentaliteitsgeschiedenis alsmede voor de relaties daartussen.
- a. Ter beoordeling van het bevoegd gezag, kan een of meer van de onderwerpen van het schoolonderzoek bestaan uit een door de kandidaat zelfstandig bestudeerd onderwerp, dat niet voor elke kandidaat hetzelfde is.
- b. Indien slechts één onderwerp zelfstandig bestudeerd wordt behoeft het gestelde in 2 sub c en het gestelde in 5 niet te worden toegepast.