Art. 7:84 BW, Goederenkrediet betreffende roerende zaken, niet-registergoederen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 (BW7)
1. Een overeenkomst van goederenkrediet is een kredietovereenkomst, daaronder begrepen een samenstel van overeenkomsten die een commerciële eenheid vormen in de zin van artikel 57 lid 5, ter zake van het verschaffen van het genot door de kredietgever aan de kredietnemer van een roerende zaak, niet zijnde een registergoed, mits de termijn waarbinnen het krediet moet worden terugbetaald langer is dan drie maanden nadat het krediet ter beschikking is gesteld, dan wel met het verschaffen van het genot van de zaak een aanvang is gemaakt.
2. Als een overeenkomst van goederenkrediet worden onder meer beschouwd de koop op afbetaling, de huurkoop en voorts alle overeenkomsten die dezelfde strekking hebben als een overeenkomst van goederenkrediet onder welke vorm of benaming aangegaan.
3. In deze afdeling worden verstaan onder:
a. koop op afbetaling: de koop van een roerende zaak die niet een registergoed is, waarbij partijen overeenkomen dat de koopprijs wordt betaald in termijnen, waarvan ten minste een termijn later verschijnt dan drie maanden nadat de verkochte zaak aan de koper is afgeleverd;
b. huurkoop: de koop op afbetaling waarbij de verkoper zich de eigendom van de afgeleverde zaak voorbehoudt;
c. huur: een huurovereenkomst van een roerende zaak die niet een registergoed is, indien zij de in lid 2 bedoelde strekking heeft;
d. doorlopend goederenkrediet: een goederenkrediet waarbij de kredietgever dan wel de leverancier ervoor heeft te zorgen dat aan de kredietnemer op verschillende tijdstippen het genot van zaken wordt verschaft, voor zover het uitstaande saldo een bepaald bedrag, de kredietlimiet, niet overschrijdt.
e. kredietsom: het verschil tussen het totaal van de contante prijzen van de zaken waarvan de kredietnemer het genot wordt verschaft en de door deze in dat kader gedane contante betalingen met dien verstande dat bij doorlopend goederenkrediet de kredietlimiet als dat verschil wordt aangemerkt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Midden-Nederland 11 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1398
- Conclusie A-G Wissink 30 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1130
- Rb. Gelderland 12 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:68
- Rb. Gelderland 12 december 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5248
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:445
- Rb. Zeeland-West-Brabant 2 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6542
- Rb. Rotterdam 16 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:991
- Rb. Rotterdam 30 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:12312
- Rb. Rotterdam 21 augustus 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7709
- Rb. Rotterdam 12 oktober 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:8438
- Rb. Noord-Nederland 2 maart 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:1200
- Rb. Midden-Nederland 6 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2452
- Rb. Midden-Nederland 13 oktober 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5477
- Rb. Midden-Nederland 18 juli 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3209
- Rb. Gelderland 29 juli 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:3705
- Rb. Gelderland 22 november 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6199
- Rb. Den Haag 25 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:4938
- Rb. Amsterdam 18 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5295
- Rb. Amsterdam 1 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4588
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 11 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:234