Bijlage 2 Rectificatie onderwerpen centraal examen aardrijkskunde v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o., en l.b.o. C/D
Rectificatie onderwerpen centraal examen aardrijkskunde v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o., en l.b.o. C/D
Van de kandidaten wordt verwacht dat zij Thema: ‘De ontwikkelingsproblematiek’ 1.10, 1.20, 1.30, 3.10, 3.20, 3.30 Thema: ‘Milieu en milieubeheer’ 1.10, 1.30, 1.40, 2.10, 2.40, 2.50. De bij I.1 A, B, C en D genoemde aspecten van de geografie van Turkije worden in dit deel II van de structuur gespecificeerd. De bedoeling van deze precisering is de examenstof te beperken en voor docenten en leden van de examencommissie zo exact mogelijk te omschrijven wat zij moeten behandelen c.q. waarover zij mogen examineren. Plaatsen: Ankara, Istanbul, Üsküdar, Bursa, Izmir, Antalya, Silifke, Konya, Kayseri, Adana, Gaziantep, Diyarbakir, Erzurum, Trabzon, Samsun Wateren: Zwarte Zee, Bosporus, Zee van Marmara, Dardanellen, Egeïsche Zee, Middellandse Zee, Golf van Antalya, Tuzmeer, Vanmeer, Eufraat, Tigris, Keban-stuwmeer, Atatürkstuwmeer Buurlanden: Sovjetunie, Iran, Irak, Syrië, Griekenland, Bulgarije, Cyprus Landstreken: Thracië, Anatolië, Kurdistan Gebergten: Taurusgebergte, Pontischgebergte, Ararat.
- 1. Basiskennis hebben van Turkije wat betreft:
- A topografie;
- B mens en milieu;
- C bevolking;
- D bestaanswijzen.
- 2. Kennis hebben van de volgende (voorbeeld)regio's:
- Oost-Anatolië als voorbeeldregio van een gebied waar grootschalige irrigatie plaatsvindt;
- Izmir-Silifke als voorbeeld van een kustzone die zich toeristisch sterk ontwikkelt;
- Istanbul en Ankara als voorbeeldregio's voor stedelijke bestaanswijzen en stedelijke problemen.
- 3. In relatie tot het onder I.1 en I.2 genoemde, voldoen aan de eisen die gesteld worden bij de hierna te noemen onderdelen van de thema's omschreven in het eindexamenprogramma en staatsexamenprogramma voor het vak aardrijkskunde (m.a.v.o. en l.b.o. C/D) omschreven in bijlage B2 bij circulaire DGVO-13687 C860047.
- Voor de thema's ‘Mens en Milieu’, ‘Bevolking’ en ‘Bestaanswijzen’ wordt eerst vermeld welke onderdelen aan de orde dienen te komen. Daarna wordt voor elk van die onderdelen omschreven welke beperkingen gelden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschrijven (= inventariseren/vermelden) en verklaren.
- Bij de onderdelen B, C en D wordt apart een aantal begrippen en termen genoemd. Ook deze hebben een begrenzende functie. De opsomming ervan mag niet als uitputtend worden beschouwd. Relevante termen en begrippen van eenvoudige aard (bijvoorbeeld landbouw, stuwingsregen, geboortencijfer) die naar de gangbare mening van onderwijsgevenden tot de vaste leerstof in de onderbouw behoren, worden bekend verondersteld. Termen en begrippen die al ergens in de tekst voorkomen worden niet nog eens apart vermeld. Overigens geeft ook de tekst van de onder I.3 omschreven onderdelen van het eindexamenprogramma een indicatie voor de begrippen die gekend moeten worden.
- a. Van de kandidaten wordt verwacht dat zij kennis hebben van de volgende onderdelen van het fysisch milieu: geologie, reliëf, klimaat, natuurlijke vegetatie en waterhuishouding. Dit houdt in dat de kandidaten:
- een beschrijving kunnen geven van de geologie met de beperking dat alleen de ligging in een breukgebied en het voorkomen van aardbevingen vermeld worden;
- het ontstaan van de ‘aardpiramiden’ (tufkegels) in Cappadocië en de sinterterrassen van Pamukkale kunnen verklaren;
- het reliëf wat betreft gebergten, bekkens, hoogland en kustvlakten kunnen beschrijven;
- het klimaat in de vier klimaatgebieden kunnen beschrijven;
- het verschil in neerslag en temperatuur tussen kustgebieden en binnenland en tussen het oostelijk en het westelijk deel van Turkije kunnen verklaren;
- natuurlijke vegetatie en waterhuishouding kunnen beschrijven.
- b. Bij de relatie mens-milieu wordt van de kandidaten verwacht dat zij kennis hebben van:
- de grote betekenis van klimaat en waterhuishouding voor de landbouw (differentiatie in gewassen, groeiseizoen, droogterisico's);
- de (beperkte) mogelijkheden van de bevolking om de negatieve aspecten van het fysisch milieu te corrigeren met speciale aandacht voor de grootschalige irrigatieprojecten in Oost-Anatolië;
- de nadelige milieu-effecten die het gevolg zijn van het bedrijven van landbouw (bodemerosie, verzilting, verwoestijning);
- nadelige milieu-effecten van het massatoerisme langs de kust van de Middellandse Zee.
- c. Termen en begrippen: erosie, Middellandse-zeeklimaat, Zwarte-zeeklimaat, steppeklimaat, continentaal klimaat (specifieke klimaattermen behorend bij een bepaald systeem (bijvoorbeeld Köppen) zijn niet verplicht).
- a. Van kandidaten wordt verwacht dat zij kennis hebben van en inzicht tonen in de volgende onderdelen van het thema bevolking: de demografie, de bevolkingsspreiding, de religie, de etnische samenstelling, de sociale structuur, de geschiedenis, het ontwikkelingspeil. Dit houdt in dat kandidaten:
- een aantal demografische kerncijfers (aantal, dichtheid, geboorte, sterfte, migratie, leeftijdsopbouw) kunnen beschrijven en een verklaring voor de veranderingen daarin sinds 1960, kunnen geven;
- de bevolkingsspreiding en het nederzettingspatroon (steden, dorpen, verspreide bewoning) kunnen beschrijven en de veranderingen daarin sinds 1960 kunnen verklaren, met speciale aandacht voor:
- de veranderingen in het verstedelijkingsproces (urbanisatiegraad, urbanisatietempo, ontstaan van gecekondu's (zelfbouwwijken)
- de verschillende richtingen van migrantenstromen: van gebergte ––> bekken, van binnenland ––> kust, van oost ––> west;
- het Islamitische karakter van de maatschappij en van de mate waarin die samenleving veranderd is door de Westerse cultuur, kunnen beschrijven;
- aandacht hebben voor:
- de aanwezigheid van een groot aantal etnische Turken buiten Turkije (waar en waarom daar?)
- de relaties die er bestaan tussen in Nederland wonende Turken en het thuisland (geldovermakingen, vakanties, gezinshereniging, huwelijken, zorg voor ouders);
- de geschiedenis kunnen beschrijven met die beperking, dat alleen aan de orde komen:
- het feit dat het huidige Turkije vroeger deel uitmaakte van grotere eenheden: de Griekse wereld, het Byzantijnse rijk en het Osmaanse rijk
- de betekenis van Kemal Atatürk voor de verwestersing;
- (vergelijkenderwijs) het ontwikkelingspeil kunnen beschrijven aan de hand van de volgende criteria: geboortencijfer, sterftecijfer, tempo natuurlijke groei, leeftijdsopbouw, zuigelingensterfte, levensverwachting, analfabetisme, artsendichtheid waarbij met elkaar vergeleken worden:
- Turkije met ontwikkelingslanden en industrielanden
- West-Turkije met Oost-Turkije
- stad met platteland.
- b. Termen en begrippen: Islam, interne migratie, buitenlandse migratie, remigratie.
- a. Van kandidaten wordt verwacht dat zij kennis hebben van de volgende bestaanswijzen: de landbouw, de industrie en de dienstensector. Dit houdt in dat kandidaten:
- de beroepsbevolking (omvang en verdeling over de drie sectoren) kunnen beschrijven en de veranderingen die daarin zijn opgetreden na 1960 kunnen verklaren;
- de veranderingen die zijn opgetreden in agrarische produktieprocessen na 1960 kunnen beschrijven en verklaren;
- de industrialisatie kunnen beschrijven;
- de dienstensector in Ankara en Istanbul kunnen beschrijven en het verschil daarin tussen beide steden kunnen verklaren.
- b. De kandidaten dienen in het bijzonder kennis te hebben van:
- de Turkse economie Aan de hand van de criteria BNP/hoofd, samenstelling beroepsbevolking en autodichtheid moeten ze deze economie (vergelijkenderwijs) kunnen beschrijven, waarbij met elkaar vergeleken worden:
- Turkije met ontwikkelingslanden en industrielanden
- West-Turkije met Oost-Turkije
- Stad met platteland
- het toerisme kunnen beschrijven waarbij aan de orde komen:
- de spreiding van de toeristen, de overnachtingsvormen, de herkomstgebieden, de economische betekenis
- de toeristische ontwikkelingen in de kuststrook van Izmir tot aan Silifke, waarbij een vergelijking gemaakt dient te worden tussen de oudere toeristische centra aan de westkust en de nieuwere aan de zuidkust.
- c. Termen en begrippen: traditionele landbouw, moderne landbouw, irrigatielandbouw, formele sector, informele sector, vluchtsector, ambacht, handelsbalans, arbeidsproduktiviteit, massatoerisme.