Bijlage 1 Rectificatie onderwerpen centraal examen aardrijkskunde v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o., en l.b.o. C/D
Rectificatie onderwerpen centraal examen aardrijkskunde v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o., en l.b.o. C/D
De voorliggende structuur bij het onderwerp ‘Duitsland’ vertoont inhoudelijk grote overeenkomst met de structuur ‘De beide Duitslanden’ (gepubliceerd in bijlage 1 bij de regeling d.d. 16 april 1989, kenmerk VO/AV/BE-894375). Uiteraard kon de centrale probleemstelling van ‘De beide Duitslanden’: ‘In hoeverre leiden de maatschappelijke stelsels in respectievelijk de socialistische en niet-socialistische landen tot verschillen in ruimtelijke organisatie en inrichting en welke gevolgen hebben zij voor de onderlinge betrekkingen tussen die landen’, op deze wijze geformuleerd niet gehandhaafd blijven. Wel is duidelijk dat er, door het feit dat gedurende 45 jaar de maatschappelijke stelsels in Oost- en West-Duitsland zeer verschillend waren, wat betreft ruimtelijke organisatie en inrichting nog geruime tijd duidelijke verschillen zullen blijven tussen beide landsdelen. Voor deze verschillen wordt in de structuur speciaal aandacht gevraagd. Speciale aandacht verdienen ook de ruimtelijke problemen die voortvloeien uit het herenigen van beide staten, waarbij in het bijzonder de totaal veranderde positie van de stad Berlijn ruimtelijk zeer interessant is. De structuur bestaat uit vier delen, aangegeven met de letters A, B, C en D. In het A-gedeelte, ‘Benaderingswijze’ wordt om te beginnen duidelijk gemaakt, dat het in de aardrijkskunde gaat om samenhang tussen enerzijds de ruimtelijke organisatie en inrichting van gebieden en anderzijds een aantal relevante fysische, economische, demografische, sociale en politieke factoren. Verder staat er vermeld dat de leerstof moet worden beperkt door aandacht te geven aan een viertal met name genoemde regio's. De speciale aandacht voor vier regio's impliceert niet dat de kandidaat van de rest van Duitsland helemaal niets hoeft te weten. In A2 staat dat er ten aanzien van het hele gebied een zekere basiskennis verondersteld wordt. In het B-gedeelte ‘Omschrijving van de examenstof’ zijn de reeds genoemde factoren zodanig gegroepeerd dat de
- 1 Van de kandidaten wordt verwacht, dat zij ten aanzien van Duitsland
- a kennis hebben van de ingerichte ruimte en van een aantal demografische aspecten van de bevolking
- b kennis hebben van het verschil in maatschappelijk stelsel tussen Oost- en West-Duitsland, in de periode 1945–1990
- c kennis hebben van en inzicht hebben in de ruimtelijke samenhang tussen de inrichting en de fysische, economische, demografische, sociale en politieke factoren die daarop – afzonderlijk of in onderlinge samenhang – van invloed zijn
- d binnen het kader van de politieke en sociale factoren speciaal aandacht schenken aan de gevolgen van het verschil in maatschappelijk stelsel in Oost- en West-Duitsland gedurende de periode 1945–1990 voor
- de ruimtelijke organisatie en inrichting
- de zorg voor het milieu
- 2 De kandidaten dienen van Duitsland
- a de op bijgaande lijst vermelde topografie te kennen
- b te beschikken over basiskennis aangaande ligging, oppervlaktevormen, reliëf, klimaat, waterhuishouding, aanwezigheid van delfstoffen, bevolking, bestaansmiddelen en relevante geografische politieke ontwikkelingen vanaf 1945
- 3 De kandidaten dienen speciaal kennis te hebben van de volgende regio's
- Ruhrgebied
- Ballungsraum Halle-Leipzig
- Het Noordduitse Laagland
- Berlijn
- 4 De kandidaten dienen binnen deze regio's kennis te hebben van het volgende
- a vergelijking van de milieuproblematiek in het industriegebied Halle-Leipzig en in het Ruhrgebied
- b de gevolgen van het tussen 1945 en 1990 opgetreden verschil in maatschappelijk stelsel voor de inrichting van het platteland en de organisatie van de landbouw in het Oostduitse en het Westduitse deel van het Noordduitse laagland
- c de gevolgen van 45 jaar politieke scheiding voor Berlijn
- d de gevolgen van de eenwording voor Berlijn
- 1 De fysische invalshoek De wijze waarop
- a delfstoffen en waterhuishouding in het Ruhrgebied en in Ballungsraum Halle-Leipzig en
- b klimaat, waterhuishouding en grondsoort in het Noordduitse laagland, mede van invloed zijn op de inrichting van de ruimte
- 2 De economische invalshoek
- a de beroepsstructuur
- b de invloed van de bestaansmiddelen op de spreiding en dichtheid van de bevolking
- c de wijze waarop de bestaansmiddelen mede de inrichting bepalen in de vier genoemde regio's
- d de relatie tussen economische activiteiten en milieu en de verschillende wijze waarop vóór de eenwording in Oost- en West-Duitsland gereageerd werd op de milieuproblematiek
- e de gevolgen van de Duitse eenwording voor de relatie ‘economische activiteiten-milieu’ in Oost-Duitsland
- 3 De demografische invalshoek
- a de voornaamste demografische kenmerken van West- en van Oost-Duitsland
- b de gevolgen van het openen van de grenzen (op 9 november 1989) tussen Oost- en West-Duitsland voor de binnenlandse migratie en dientengevolge voor de leeftijdsopbouw van de beide landsdelen
- 4 De sociale en politieke invalshoek
- a de verschillen in politieke en sociale structuur tussen Oost- en West-Duitsland in de periode 1945–1990 met aandacht voor de toen bijzondere positie van West-Berlijn
- b de mate waarin de onder 4a bedoelde vroegere verschillen in politieke en sociale structuur nog steeds zijn terug te vinden in de inrichting van de ruimte
- c de problemen die zich bij het proces van eenwording in Oost-Duitsland voordoen ten aanzien van waarbij de kandidaat op de hoogte dient te zijn van de ontwikkelingen door regelmatig de nieuwsmedia te raadplegen
- het eigendomsrecht
- de aanpak van de milieuproblematiek
- de infrastructuur
- 1 De fysische invalshoek
- elementen van het klimaat
- factoren die de temperatuur bepalen
- isothermen
- de invloed van het reliëf op de verdeling van de neerslag oppervlaktevormen
- reliëf
- natuurlijke landschappen
- laagland
- middelgebergte
- hooggebergte
- wadkust
- delfstoffen
- bruinkool
- steenkool
- waterhuishouding
- regiem
- grondsoorten
- zand
- klei
- löss
- veen
- 2 De economische invalshoek
- planeconomie en markteconomie
- vrije ondernemingsgewijze produktie
- BNP
- handels- en betalingsbalans
- beroepsstructuur
- mijnbouw
- dagbouw
- schachtbouw landbouw
- intensivering
- schaalvergroting
- verkaveling
- collectivisering
- Landwirtschaftliche Produktionsgenossenschaften (LPG)
- Volkseigene Betrieben (VEB) industrie
- zware en lichte industrie
- afvallozingen en uitstoot energievoorziening
- thermo-centrales
- hydro-centrales diensten
- infrastructuur
- vervoersvormen
- goederenstromen
- verzorgingsgebied
- 3 De demografische invalshoek
- bevolkingsdichtheid
- bevolkingsspreiding
- natuurlijke bevolkingsontwikkeling
- geboortencijfer
- sterftecijfer
- geboortenoverschot
- sterfte-overschot sociale bevolkingsontwikkeling migratie
- emigratie en immigratie
- binnenlandse migratie
- migratiesaldo
- urbanisatie
- suburbanisatie
- re-urbanisatie
- autochtonen en allochtonen
- veroudering en vergrijzing
- leeftijdsopbouw
- leeftijdspiramide
- 4 De sociale en politieke invalshoek
- grens
- bondsstaat
- bevolkingspolitiek
- collectiviteit
- sociale structuur
- discriminatie
- segregatie
- milieu-effecten
- communisme en socialisme
- kapitalisme
- parlementaire democratie
- Volksdemocratie
- blokvorming
- EG
- COMECON
- NATO
- Warschaupact
- glasnost
- perestrojka
- Berlijnse muur
- IJzeren gordijn
- Plaatsen
- Berlijn
- Bonn
- Bremen
- Dortmund
- Dresden
- Duisburg
- Düsseldorf
- Erfurt
- Essen
- Frankfurt
- Halle
- Hamburg
- Hannover
- Chemnitz
- Karlsruhe
- Kassel
- Keulen
- Kiel
- Leipzig
- Magdeburg
- Mainz
- Mannheim
- München
- Münster
- Neurenberg
- Rostock
- Saarbrücken
- Stuttgart
- Wiesbaden
- Wateren
- Donau
- Dortmund-Emskanaal
- Elbe
- Emscher
- Havel
- Lippe
- Noordzee
- Oder/Neisse
- Oostzee
- Rijn
- Ruhr
- Spree
- Vlakten en gebergten
- Alpen
- Harz
- Noordduits Laagland
- Sauerland