Bijlage 2 Warenwetbesluit Speelgoed: behorende bij het Warenwetbesluit Speelgoed
Voor kinderwaren en speelgoed gelden de volgende voorschriften: 7. 7.1. Speelgoed en kinderwaren anders dan vouw-, teken- en soortgelijk knutselpapier, dienen te zijn samengesteld uit materialen die: 7.2. Het in het speelgoed of de kinderwaar aanwezige brandbare materiaal, mag geen gevaar van ontbranding meebrengen voor andere In het speelgoed of de kinderwaar verwerkte stoffen. 8. Speelgoed en kinderwaren mogen als zodanig geen stoffen of mengsels bevatten die ontvlambaar worden door het verlies van vluchtige niet-ontvlambare componenten, indien het om te kunnen functioneren, met name materiaal en apparatuur voor scheikundige experimenten, modelbouw, boetseren met kunststof of klei, emailleren, fotograferen of soortgelijke activiteiten, mengsels bevat die gevaarlijk zijn zoals omschreven in richtlijn 67/548/EEG, noch stoffen waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij verordening (EG) nr. 1272/2008 vervuld zijn: 9. 9.1. Speelgoed en kinderwaren uitgezonderd slaghoedjes, speciaal ontworpen voor speelgoed en kinderwaren, mogen niet ontplofbaar zijn en mogen geen ontplofbare bestanddelen bevatten. 9.2. Speelgoed en kinderwaren mogen geen stoffen of mengsels bevatten: 10. Speelgoed en kinderwaren dienen geen gevaar voor de gezondheid of lichamelijk letsel bij inslikken, inademing of contact met de huid, de slijmvliezen of de ogen met zich mee te brengen voortkomend uit de chemische samenstelling van het speelgoed of de kinderwaar. 11. 11.1 Speelgoed en kinderwaren mogen geen mengsels bevatten die gevaarlijk zijn in de zin van richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten, noch stoffen waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieën van bijlage I bij
- 1. Speelgoed en kinderwaren dienen:
- a. de nodige mechanische eigenschappen en in voorkomend geval de vereiste stabiliteit te hebben, om de bij het gebruik uitgeoefende druk te weerstaan zonder dat zij daarbij breken of kunnen vervormen met gevaar voor lichamelijk letsel;
- b. een zo klein mogelijke kans op lichamelijk letsel bij aanraking van bereikbare hoeken, uitstekende delen, snoeren, kabels en bevestigingen ervan te bieden;
- c. een minimale kans op lichamelijk letsel ten gevolge van de beweging van de delen ervan te bieden;
- d. indien kinderen in het speelgoed of de kinderwaren kunnen kruipen, een uitgang te hebben die gemakkelijk van binnenuit kan worden geopend;
- e. geen gevaar voor verstikking of verwurging op te leveren; dit zelfde geldt voor de verpakking ervan.
- 2. Speelgoed en kinderwaren, kennelijk bestemd voor kinderen jonger dan 36 maanden, moeten zo groot zijn dat zij niet door hen kunnen worden ingeslikt of ingeademd.
- 3. Speelgoed en kinderwaren bestemd om in ondiep water te worden gebruikt en om het kind te dragen of drijvende te houden op het water, moeten, gelet op het aanbevolen gebruik ervan, een zo klein mogelijk gevaar voor verlies van het drijfvermogen alsmede van de steun die zij aan het kind geven, hebben.
- 4. Speelgoed en kinderwaren waarmee het kind zich kan voortbewegen, moeten voor zover mogelijk voorzien zijn van aan de waar aangepaste remmen die berekend zijn op de door het speelgoed opgewekte kinetische energie. Deze remmen moeten gemakkelijk door het kind bediend kunnen worden zonder dat het daarbij gevaar loopt uit of van het speelgoed of kinderwaar af te vallen of zichzelf of anderen te verwonden.
- 5. De constructie, vorm en -samenstelling van projectielen en de kinetische energie die deze kunnen ontwikkelen bij lancering door een daartoe ontworpen stuk speelgoed of kinderwaar, moeten zodanig zijn dat het gevaar voor verwonding van de gebruiker van het speelgoed of kinderwaar, of van derden niet onredelijk groot is, gelet op de aard van het speelgoed of kinderwaar.
- 6. Speelgoed dat warmte-elementen bevat en kinderwaren, uitgezonderd stoommachines, die dergelijke elementen bevatten, moeten zodanige eigenschappen hebben dat:
- a. de hoogste temperatuur die aan elke toegankelijke zijde wordt bereikt zodanig is dat aanraking daarvan geen verbranding tot gevolg heeft;
- b. de temperatuur of druk van de vloeistoffen, dampen en gassen in het speelgoed niet zo hoog oplopen dat deze, indien zij voor de goede werking van het speelgoed moeten ontsnappen, brandwonden of ander lichamelijk letsel kunnen veroorzaken.
- a. niet branden onder de directe inwerking van een vlam of vonk of andere potentiële oorzaak van ontbranding, dan wel;
- b. moeilijk ontvlambaar zijn, dan wel;
- c. indien zij vlam vatten, traag branden, waarbij de vlam zich langzaam verspreid, dan wel;
- d. ongeacht de chemische samenstelling van het speelgoed, zodanig zijn behandeld dat het verbrandingsproces wordt vertraagd.
- 1° de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;
- 2° de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;
- 3° de gevarenklasse 4.1;
- 4° de gevarenklasse 5.1.
- a. die bij vermenging een ontploffing kunnen veroorzaken door chemische reactie dan wel bij vermenging met oxyderende stoffen;
- b. die vluchtige componenten bevatten die ontvlambaar zijn in de lucht en ontvlambare of explosieve mengsels van damp en lucht kunnen vormen.
- 1° de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;
- 2° de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;
- 3° de gevarenklasse 4.1;
- 4° de gevarenklasse 5.1,
- a. de instructies inzake de bediening en de in acht te nemen voorzorgsmaatregelen;
- b. de gevaren voortkomende uit veronachtzaming van deze voorzorgsmaatregelen;
- c. de waarschuwing het speelgoed of de kinderwaren buiten bereik van zeer jonge kinderen te houden.
- a. de gevaarlijke aard van de stoffen en mengsels als bedoeld in dat artikel;
- b. de voorzorgsmaatregelen die het kind in acht dient te nemen ter vermijding van de gevaren voortvloeiende uit die gevaarlijke aard;
- c. aanwijzingen inzake te verlenen eerste hulp bij ernstige ongevallen met het speelgoed of de kinderwaar;
- d. de vermelding het speelgoed of de kinderwaar buiten bereik van zeer jonge kinderen te houden.
- 1° de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieën 1 en 2, 2.14 categorieën 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;
- 2° de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;
- 3° de gevarenklasse 4.1;
- 4° de gevarenklasse 5.1,
- a. de vermelding "Waarschuwing! Alleen te gebruiken met beschermingsuitrusting".
- b. een gebruiksaanwijzing waarin er op wordt gewezen dat men met dit speelgoed voorzichtig moet omgaan, daar er grote behendigheid vereist is en om ongevallen voor de gebruiker en derden te voorkomen. Tevens wordt aangegeven welke beschermingsuitrusting wordt aangeraden.
- a. zij mogen niet zijn voorzien van band, koord, touw, elastiek of ander materiaal;
- b. de speen mag niet zijn voorzien van een opening;
- c. zij dienen te zijn voorzien van een schild, dat zodanig van vorm en stevigheid is dat de fopspenen met een trekkracht van 60N niet door de opening van de testplaat, zoals omschreven in de desbetreffende methoden van onderzoek van de Warenwetregeling onderzoeksmethoden kinderwaren (Stcrt. 1991, 106) kunnen worden getrokken. De fopspeen mag daarbij niet scheuren of losraken;
- d. de afstand van de top van de speen tot het schild mag niet groter zijn dan 30 mm;
- e. zij mogen geen losse, afneembare of afbijtbare onderdelen bevatten die passen in de testholte als omschreven in de desbetreffende methoden van onderzoek van de Warenwetregeling onderzoeksmethoden kinderwaren.
- a. met de hand goed schoonwrijven onder stromend water; daarna enige minuten uitkoken.
- b. regelmatig controleren op gaatjes en zwakke plekken, vooral als het kind tandjes heeft. Bij beschadiging vervangen.
- c. een fopspeen is om op te zuigen; kinderen die op fopspenen bijten kunnen beter een bijtring gebruiken;
- d. gebruik de fopspeen niet langer dan 6 weken.
- a. de capaciteit van de ketel de 2000 cm3 niet overschrijdt;
- b. de absolute druk in de ketel maximaal 0,15 MPa (1,5 bar) is;
- c. de ketel is voorzien van een of meer veiligheidsventielen van roestvrij materiaal, welke niet door middel van gewichten mogen werken;
- d. de oppervlakte van de warmtebron geen hogere temperatuur kan opleveren dan 150° C.
- - alifatische en aromatische verbindingen met een nitrogroep;
- - verbindingen uit de groep 2-alkoxy-ethanol en de esters daarvan;
- - gehalogeneerde alifatische en aromatische verbindingen;
- - alifatische en aromatische aminen;
- - zwavelkoolstof;