Art. 11 Regeling Veerponten, Vrijboord en veiligheidsafstand

Regeling Veerponten

1. Het vrijboord moet tenminste gelijk zijn aan de som van: Het vrijboord moet voor veerponten in de zones 3 en 4 evenwel tenminste 0,30 m bedragen. Voor veerponten in de zone 2 moet het vrijboord tenminste 0,40 m bedragen.

a. de inzinking, die door de volgens de artikelen 5, 6 en 7 berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat en

b. het resterend vrijboord als bedoeld in artikel 10.

2. De veiligheidsafstand moet tenminste gelijk zijn aan de som van:

a. de inzinking die door de volgens de artikelen 5, 6 en 7 berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat en

b. de resterende veiligheidsafstand, bedoeld in artikel 10.

3. De veiligheidsafstand mag evenwel niet minder bedragen dan:

a. tot openingen die niet waterdicht afsluitbaar zijn:

in zone 2: 0,60 m

in zone 3: 0,30 m

in zone 4: 0,30 m;

b. tot de onderzijde van patrijspoorten en ramen die zich in de scheepshuid bevinden en die kunnen worden geopend:

in zone 2: 0,30 m

in zone 3: 0,25 m

in zone 4: 0,20 m;

c. voor open veerponten zonder schottendek, tot het laagste punt van de bovenkant van het boord:

in zone 2: 0,80 m

in zone 3: 0,50 m

in zone 4: 0,40 m;

d. voor onzinkbare open veerponten van het type landingsvaartuig ter plaatse van de klep, mits deze in gesloten toestand langs de staande kanten en de onderkant waterdicht afsluitbaar is:

in zone 2: 0,60 m

in zone 3: 0,40 m

in zone 4: 0,30 m.