Bijlage II Beschikking tijdelijke inkomenssteun in de akkerbouw: programma Inkomenssteun in de Landbouw (PIL)
Beschikking tijdelijke inkomenssteun in de akkerbouw
Op 21 maart 1989 heeft de Raad van de Europese Gemeenschappen een verordening vastgesteld tot instelling van een regeling inzake tijdelijke inkomenssteun in de landbouw (Verordening (EEG) nr.768/89, Pb EG L 84). Uitvoeringsbepalingen voor deze verordening zijn neergelegd in een Commissieverordening van 19 december 1989 (Verordening (EEG) nr.3813/89, Pb EG L 371). De Nederlandse overheid zal aan akkerbouwers de mogelijkheid bieden deze steun te verkrijgen. Aanleiding hiervoor is dat in deze sector na 1984 een sterke daling van de inkomens is opgetreden door bijstellingen in het EG-markt- en prijsbeleid. In de verordening van de Raad is bepaald dat lidstaten de steun slechts mogen verstrekken wanneer hiervoor een programma is opgesteld en door de Commissie is goedgekeurd. Een dergelijk programma bevat het algemene kader voor het verstrekken van de steun. De EG-verordeningen vormen het uitgangspunt bij het opstellen van onderstaand programma. (1.0)*De tussen haakjes vermelde cijfers verwijzen naar de nummering in de bijlage bij Verordering (EEG) nr. 3813/89, waarin is aangegeven welke gegevens een PIL moet bevatten. De punten 3.2, 3.3, 3.5, 6 en 10 uit deze bijlage zijn niet van toepassing c.q. worden niet toegepast. De doelstelling van dit programma is om de nadelige inkomenseffecten als gevolg van aanpassingen in het gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) te verminderen. In de afgelopen jaren zijn ten behoeve van een beter evenwicht op de markt van landbouwprodukten ingrijpende wijzigingen aangebracht in het GLB. In de akkerbouw betreft dit een verlaging van de prijzen van de produkten waarop het stabilisatiemechanisme van toepassing is. Het gaat hierbij om granen, oliezaden, eiwithoudende gewassen en fabrieksaardappelen. Bij dit laatste produkt wordt de minimumtelersprijs van de graanprijs afgeleid. Voor granen zijn bij voorbeeld de effectieve interventieprijzen sinds 1984 met meer dan 25% gedaald (zie voor een uitgebreid overzicht van de prijsontwikkeling bijlage
- a. a. die voor ten minste 25% van een arbeidsjaareenheid werkzaam zijn op een landbouwbedrijf waarop:
- het bedrijfshoofd zijn hoofdberoep heeft,
- overwegend akkerbouwprodukten worden voortgebracht en
- minimaal 30% van de oppervlakte beteeld wordt met akkerbouwgewassen waarop het stabilisatiemechanisme van toepassing is.
- b. waarvan het totaal gezinsinkomen per arbeidsjaareenheid lager is dan 34 000 gulden en
- c. waarvan het inkomen uit het landbouwbedrijf ten minste 10% van het inkomen van het huishouden bedraagt en
- d. die jonger zijn dan 65 jaar.
- Hoofdberoep Die personen hebben hun hoofdberoep op het bedrijf die daar meer dan 75% van hun arbeidstijd op werkzaam zijn. Deze definitie van hoofdberoep komt overeen met die in andere regelingen (o.a. de struktuurverbeteringsregeling). De vaststelling van het hoofdberoep wordt gebaseerd op een opgave van de aanvrager en kan tevens worden getoetst aan de landbouwtelling 1989. Het bedrijfshoofd dient voldoende vakbekwaam te zijn. Om voor steun in aanmerking te komen dient deze zowel op het moment van aanvraag als in de jaren 1986/1987 en 1987/88 bedrijfshoofd te zijn geweest. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde die ook in het kader van andere regelingen ten aanzien van vakbekwaamheid wordt aangehouden (Verordening (EEG) nr. 797/85). Daar wordt de eis gesteld dat het bedrijfshoofd ten minste drie jaar op het landbouwdrijf werkzaam is geweest.
- Bedrijf waarop overwegend akkerbouwprodukten worden voortgebracht (3.9) In de inleiding is aangegeven dat de inkomenssteun zal worden verleend in de akkerbouwsector. Akkerbouwbedrijven worden, uitgaande van de gebruikelijke typologie (de EG-bedrijfstypologie), gedefinieerd als bedrijven waarop de produktieomvang, uitgedrukt in brutostandaardsaldi, hoofdzakelijk (meer dan twee derde) uit akkerbouw bestaat. De gegevens worden ontleend aan de landbouwtelling 1989.
- Minimaal 30% van de bedrijfsoppervlakte dient beteeld te worden met gewassen waarop het stabilisatiemechanisme van toepassing is. Het programma wordt beperkt tot de sector akkerbouw en dan met name tot die gewassen ten aanzien waarvan de toepassing van het mechanisme van de stabilisatoren een aanzienlijke daling van het inkomen tot gevolg heeft gehad. Dit betreft de granen (wintertarwe, zomertarwe, wintergerst, zomergerst, haver, rogge, triticale, korrelmais), peulvruchten (groene erwten droog te oogsten, kapucijners, grauwe erwten, veldbonen, schokkers), oliehoudende zaden (koolzaad) en fabrieksaardappelen. Op deze wijze wordt de steun gericht op bedrijven waarop de inkomensvermindering door aanpassing van het GLB een belangrijke rol speelt. De oppervlakte van deze gewassen wordt opgegeven bij de jaarlijkse landbouwtelling of kan ontleend worden aan de opgave van de betrokkene.
- in het jaar 1987/1988 606 gulden
- in het jaar 1988/1989 558 gulden
- in het jaar 1989/1990 638 gulden
- a. Het steunniveau per arbeidsjaareenheid bedraagt maximaal 2500 ECU per jaar. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden in verordening 3813/89 art. 7.1. Het aantal arbeidsjaareenheden gezinsarbeid dat voor steun in aanmerking komt bedraagt maximaal 2 per bedrijf. De maximale steun per bedrijf bedraagt dus 5000 ECU per jaar.
- b. De steun wordt slechts verleend voor zover het per arbeidsjaareenheid berekende totale gezinsinkomen in de referentieperiode lager is dan 34 000 gulden. Het feitelijk behaalde inkomen vermeerderd met de steun kan niet uitkomen boven de 34 000 gulden.
- c. De steun wordt verstrekt over een periode van maximaal 5 jaar en wordt jaarlijks met 20% verminderd. Bij een inkomensachteruitgang van ruim 1000 gulden per ha en een vermindering van 20% per jaar bedraagt de steun in het eerste jaar rekening houdende met een geringe inflatie maximaal 350 gulden per ha. In het tweede en volgende jaren bedraagt deze resp. 280 gulden, 210 gulden, 140 gulden en 70 gulden. Met inachtneming van bovenstaande begrenzingen wordt de steun berekend op basis van de oppervlakte die in 1989 met de betrokken gewassen werd beteeld.
- a. die voor ten minste 25% van een arbeidsjaareenheid werkzaam zijn op een landbouwbedrijf waarop:
- het bedrijfshoofd zijn hoofdberoep heeft
- overwegend akkerbouwprodukten worden voortgebracht en
- minimaal 30% van de bedrijfsoppervlakte beteeld wordt met akkerbouwgewassen waarop het stabilisatiemechanismne van toepassing is.
- b. waarvan het totale gezinsinkomen per arbeidsjaareenheid lager is dan 34 000 gulden en
- c. waarvan het inkomen uit het landbouwbedrijf meer dan 10% van het inkomen van het huishouden bedraagt.
- d. die jonger zijn dan 65 jaar.