Bijlage 2 Onderwerpen centraal examen aardrijkskunde v.w.o., m.a.v.o., l.b.o. C/D (USSR)
Onderwerpen centraal examen aardrijkskunde v.w.o., m.a.v.o., l.b.o. C/D (USSR)
De hieronder vermelde lijst van termen en begrippen is een specificatie van de onder B2a en B2b vermelde examenstof. De genoemde lijst geeft een indicatie voor het begripsniveau waarop geëxamineerd zal worden maar is niet volledig. Relevante termen en begrippen van eenvoudige aard, die naar de gangbare mening van onderwijsgevenden tot de vaste leerstof in de onderbouw behoren, worden bekend verondersteld. Topografie Randstad Bandstad Twente IJmond Almelo Rijnmond Hengelo Europoort Enschede Maasvlakte Groene Hart Schiphol Stedelijk gebied Arnhem-Nijmegen Rotterdam Arnhem Schiedam Nijmegen Vlaardingen Ede Hoek van Holland Wageningen Dordrecht Duiven-Westervoort 's-Gravenhage Zevenaar Scheveningen Velp Delft Dieren Leiden Huissen Zoetermeer Wijchen Amsterdam Malden Velsen (IJmuiden) Mook Haarlem Groesbeek Zaanstad Beuningen Almere Elst Alkmaar Hilkversum Utrecht Amersfoort Brabantse Stedenrij Wateren Breda Nieuwe Maas Tilburg Nieuwe Waterweg Eindhoven Merwede Helmond Rijn Waalwijk Lek 's-Hertogenbosch Maas Oss Waal Amsterdam-Rijnkanaal Stedelijk Zuid-Limburg Zuid-Willemsvaart Maastricht Julianakanaal Heerlen Noordzeekanaal Kerkrade Sittard Geleen
- 1 Het m.a.v.o. en l.b.o. C/D examenprogramma voor het vak aardrijkskunde gepubliceerd in de circulaire van 14 mei 1986, kenmerk DGVO- 13 687 C860047, vermeldt:
- onder punt 1: dat bij het eindexamen de kennis en het inzicht van de kandidaat worden onderzocht met betrekking tot zes themata in relatie met drie regionale onderwerpen, als toepassing van de zes themata,
- onder punt 4: dat de examenstof van een regionaal onderwerp omschreven wordt in een structuur,
- onder punt 6: dat het centraal (schriftelijk) examen betrekking heeft op de drie regionale onderwerpen.
- 2 Zowel uit de formulering van het officiële examenprogramma, als uit de in dezelfde circulaire verstrekte toelichting blijkt, dat de zes themata op het examen niet integraal aan de orde gesteld worden. Slechts die onderdelen van de themata die, gezien de structuur van de regionale onderwerpen van belang zijn voor die onderwerpen, worden bij het examen betrokken.
- 3 De voorliggende structuur, ‘Stedelijke gebieden in Nederland’ omvat naast een omschrijving van de examenstof die betrekking heeft op deze gebieden, ook een aanduiding van de onderdelen van twee themata - ‘Stad en verstedelijking’ en ‘Ruimtelijk beleid in Nederland’ - die voor dit regionale onderwerp van belang zijn.
- 1 Van de kandidaten wordt verwacht dat zij:
- a. Voldoen aan de eisen die gesteld worden bij de hierna te noemen onderdelen van de themata omschreven in het eindexamenprogramma m.a.v.o. en l.b.o. C/D en staatsexamenprogramma m.a.v.o. C/D voor het vak aardrijkskunde omschreven in circulaire DGVO- 13 687 C860047 van 14 mei 1986.
- Thema ‘Stad en verstedelijking’: 1.00, 3.00, 4.00, 5.00 en 6.00.
- Thema ‘Ruimtelijk beleid in Nederland’: 1.20, 1.30, 2.10, 2.20, 3.10 en 3.20, met de aantekening dat bij het thema Ruimtelijk Beleid in Nederland kandidaten alleen kennis dienen te hebben van:
- beleidsaspecten die stedelijke gebieden betreffen,
- de meest recente ontwikkelingen in het stedelijke beleid.
- b. Kennis hebben van de volgende stedelijke gebieden: Stedenring Centraal Nederland bestaande uit:
- Randstad Holland
- Brabantse stedenrij
- Stedelijk gebied Arnhem - Nijmegen
- Stedelijk Zuid-Limburg
- Bandstad Twente.
- 2 Ten aanzien van de genoemde stedelijke gebieden wordt van de kandidaten verwacht dat zij:
- a. Basiskennis hebben van:
- de topografie
- het ingerichte landschap
- de bevolking
- de bestaansmiddelen.
- b. Kennis hebben van de voorbeeldgebieden waarin de onderdelen van het thema ‘Stad en verstedelijking’ kunnen worden toegepast. Per ‘exempel’ gespecificeerd betekent dat voor de kandidaten dat van hen wordt verwacht dat zij:
- 1 Kunnen beschrijven wat de functie van de stad Utrecht is voor een groter gebied (zie thema Stad en verstedelijking 3.00)
- 2 Op grond van uitgeoefende activiteiten de ruimtelijke geleding van de gemeente 's-Gravenhage kunnen beschrijven en interpreteren (zie thema Stad en verstedelijking 4.00.)
- 3 Een aantal stedelijke problemen van het stedelijk gebied Arnhem - Nijmegen in verband kunnen brengen met de suburbanisatie (zie thema ‘Stad en verstedelijking’ 5.00) en kunnen beschrijven wat de invloed is van het veranderende overheidsbeleid ten aanzien van suburbanisatie.
- 4 Enkele binnenstedelijke problemen van Amsterdam kunnen beschrijven en interpreteren (zie thema ‘Stad en verstedelijking’ 6.00) en kunnen beschrijven wat de invloed is van het veranderende overheidsbeleid ten aanzien van die problemen.
- 5 Kunnen beschrijven, hoe verval van regionaal-stuwende bedrijfstakken in de Limburgse mijnstreek en de Bandstad Twente geleid heeft tot herstructurering.
- 6 De ruimtelijke gevolgen kunnen beschrijven van de nationaalstuwende werking die uitgaat van de twee hoofdtoegangspoorten van Nederland: de luchthaven Schiphol en de zeehaven Europoort, en van bepaalde industriële bedrijven in de regio Eindhoven.
- c. De kennis en het inzicht verworven bij bestudering van de onder B2b t/m 6 genoemde ‘exempels’ kunnen toepassen in andere delen van de onder B1b genoemde stedelijke gebieden.
- 1 Ten aanzien van punt B2a (‘Basiskennis’) geldt, dat de kandidaten de gebieden in hoofdlijnen moeten kunnen beschrijven en herkennen op een kaart, met gebruikmaking van de volgende termen en begrippen:
- bij het ingerichte landschap: agglomeratie, stadsgewest, stedelijke zone, bufferzone, autosnelwegen, verkeersknooppunten, zeehavens, luchthaven,
- bij bevolking: demografische kenmerken als aantal (en veranderingen daarin), dichtheid, spreiding, natuurlijke groei, migratie, leeftijdsopbouw, sociaal-economische kenmerken als beroepsbevolking, werkloosheid,
- bestaansmiddelen: industrie, diensten.
- 2 Ten aanzien van de zes voorbeeldgebieden geldt dat per ‘exempel’ de volgende termen en begrippen bekend dienen te zijn:
- bij B2b1 (Utrecht): voorzieningen, verzorgingsgebied, reikwijdte, cityvorming, Jaarbeurscomplex, Hoog-Catharijne,
- bij B2b2 ('s-Gravenhage): stadswijken, stadscentrum, centrale zakenwijk, industriegebied, havengebied, woongebied,
- bij B2b3 (Arnhem-Nijmegen): mobiliteit, suburbanisatie, forensisme, woon-werkverkeer, files, ochtend-avondspits, groeikernen, compacte stad, overheidsbeleid, 4e Nota Ruimtelijke Ordening,
- bij B2b4 (Amsterdam): stadsvernieuwing, saneren (renoveren, slopen/nieuwbouw, restaureren, monumentenzorg), kwaliteit van bouwwerken, kwaliteit van woonomgeving, inrichting ‘openbare ruimte’, segregatie, overheidsbeleid, 4e Nota Ruimtelijke Ordening, bestemmingsplan,
- bij B2b5 (Limburgse mijnstreek en Bandstad Twente): herstructurering, kolenmijnbouw, stortberg, chemische industrie (DSM), aardgas, milieu-effecten, textielindustrie, arbeidsintensief, lage-lonenlanden,
- bij B2b6 (Schiphol, Europoort, regio Eindhoven): infrastructuur, transitohaven, industriehaven, zeehavenindustrie, transfer(lucht)haven, passagiersvervoer, vrachtvervoer, vliegtuigindustrie, werkgelegenheid (industrieel, diensten), agglomeratie-effect, industriële concentratie, vervoer, vervoersvormen, achterland.