Bijlage III Regeling grenswaarden voor sulfaat en chloride bij lozingen door de titaandioxide-industrietewateren: meting
Regeling grenswaarden voor sulfaat en chloride bij lozingen door de titaandioxide-industrietewateren
Voor de vaststelling van de hoeveelheden sulfaat en chloride dient te worden uitgegaan van de volgende wijze van meting: Voor de vaststelling van de precisie en de systematische afwijking van de toegepaste meetmethode wordt gebruik gemaakt van een oplossing waarin sulfaat onderscheidenlijk chloride voorkomt in nauwkeurig bekende concentraties die ten hoogste 10% mogen afwijken van tweemaal de bepalingsdrempel. Deze oplossing dient qua matrix zoveel mogelijk overeen te komen met het te onderzoeken monster. De serie meetuitkomsten als bedoeld onder a. en b. bestaat uit ten minste 10 enkelvoudige meetuitkomsten. Deze meetuitkomsten worden verkregen uit metingen, verricht nadat steeds de gehele analytische opwerking is doorlopen (volgens een gelijke procedure, door dezelfde waarnemer, met dezelfde middelen en dezelfde hulpstoffen) en onder zoveel mogelijk gelijke omstandigheden als bij de behandeling van het monster. Met behulp van de verkregen meetgegevens kan door middel van onderstaande formules worden bepaald of de lozingen onder de in de bijlagen I en II voorgeschreven grenswaarden blijven. De formules leveren hiervoor de toetswaarde (kg/ton). De hoeveelheid sulfaat in de afvalstoffen per geproduceerde hoeveelheid titaandioxide wordt als volgt berekend: De in deze formules gebruikte symbolen hebben de volgende betekenis: i = een meetdag van de betreffende maand n = aantal dagen in de betreffende maand j = een sulfaat bevattende effluentstroom gemeten op de grens van het bedrijfsterrein k = totaal aantal sulfaat bevattende effluentstromen gemeten op de grens van het bedrijfsterrein Csij = concentratie aan totaal sulfaat over een periode van 24 uur in een debiet proportioneel monster op de dag i van de betreffende maand in stroom j, gemeten op de grens van het bedrijfsterrein (kg/m3) Ccij = concentratie aan calcium over een periode van 24 uur in een debiet proportioneel monster op de dag i van de betreffende maand in stroom j, gemeten op de grens van het bedrijfsterr
- 1. Het nemen van monsters en het meten van het lozingsdebiet geschieden normaliter op het punt waar het sulfaat onderscheidenlijk chloride bevattende afvalwater het terrein van het betrokken bedrijf verlaat. Het nemen van monsters en het meten van het lozingsdebiet mogen geschieden op een punt dat ligt vóór het punt waar de grenswaarden gelden, indien al het van het bedrijf afkomstige water dat met de betrokken stof verontreinigd kan zijn bij die metingen in aanmerking wordt genomen en indien uit regelmatige controlemetingen blijkt dat de metingen een goed beeld geven van de hoeveelheden die worden geloosd op het punt waar de grenswaarden gelden of altijd een hogere uitkomst geven.
- 2. Voor de meting van de geloosde hoeveelheid afvalwater (in m3/dag) wordt een methode gehanteerd, waarvan de onnauwkeurigheid in de debietmeting kleiner is dan 10%. Dit kan door ijking worden vastgesteld.
- 3. De bemonstering van het afvalwater wordt zodanig uitgevoerd dat een monster wordt verkregen dat representatief is voor de totale hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende 24 uur.
- 4. De frequentie van bemeting en bemonstering is zodanig dat een representatief beeld wordt verkregen van de totale hoeveelheid sulfaat onderscheidenlijk chloride en - ingeval bij de afvalstoffenbehandeling kalk wordt gebruikt om de hoeveelheid zware metalen te verminderen - calcium die wordt geloosd gedurende een maand.
- 5. Het monster wordt in behandeling genomen zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd.
- 6. De methode voor het meten van sulfaat, chloride en calcium moet worden vastgelegd in de lozingsvergunning, rekening houdend met de specifieke aard en samenstelling van het monster.
- 7. Als referentiemethode voor sulfaat en chloride gelden de gravimetrische bepalingsmethode volgens NEN 3104-1 respectievelijk de titrimetrische bepalingsmethode volgens NEN 6470. De bepalingsdrempel ligt voor elke stof afzonderlijk bij 10 mg/l respectievelijk 1 mg/l. De methode voor het meten van calcium is atomaire absorptiespectrometrie, NEN 6446, na destructie van het monster volgens NEN 6465. De bepalingsdrempel ligt voor calcium bij 0,1 mg/l. Hierbij wordt onder de bepalingsdrempel verstaan de kleinste met een gegeven werkwijze in een monster kwantitatief bepaalbare hoeveelheid die nog van nul kan worden onderscheiden. De analyse wordt zodanig uitgevoerd dat wordt voldaan aan de volgende eisen ten aanzien van de precisie en de systematische afwijking:
- a. de precisie: tweemaal de waarde van de standaardafwijking van een serie meetuitkomsten is kleiner dan, of gelijk aan 50% bij een concentratie van tweemaal de bepalingsdrempel;
- b. de systematische afwijking: het verschil tussen de werkelijke waarde en de waarde van het rekenkundig gemiddelde van een serie meetuitkomsten is kleiner dan, of gelijk aan 50% bij een concentratie van tweemaal de bepalingsdrempel.
- a. indien geen kalk wordt gebruikt bij de afvalstoffenbehandeling:
- b. indien kalk wordt gebruikt bij de afvalstoffenbehandeling:
- a. indien geen kalk wordt gebruikt bij de afvalstoffenbehandeling:
- b. indien kalk wordt gebruikt bij de afvalstoffenbehandeling: