Bijlage 3 Besluit radar- en bochtaanwijzerapparatuur Rijnvaart 1989: voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers voor de Rijnvaart

Besluit radar- en bochtaanwijzerapparatuur Rijnvaart 1989

Artikel 1. Doel van de voorschriften Artikel 2. Goedkeuring van de apparatuur Artikel 3. Erkende bedrijven Artikel 4. Eisen voor de stroomverzorging aan boord Artikel 5. Inbouw radarantenne Artikel 6. Inbouw beeldscherm- en bedieningseenheid Artikel 7. Inbouw bochtaanwijzer Artikel 8. Inbouw en controle van het functioneren Artikel 9. Verklaring betreffende inbouw en functioneren Bijlage Voorbeeld van een verklaring omtrent inbouw en functioneren van de radarinstallatie en de bochtaanwijzer Doel van deze voorschriften is te bevorderen dat in het belang van een veilige en vlotte scheepvaart met behulp van radar op de Rijn de inbouw van radarinstallaties en bochtaanwijzers technisch en ergonomisch optimaal verloopt, en dat aansluitend daarop een controle van het functioneren daarvan wordt uitgevoerd. Inland ECDIS apparaten, die in de navigatie modus kunnen worden gebruikt, worden beschouwd als radarinstallaties als bedoeld in deze voorschriften. Ten behoeve van het varen met behulp van radar op de Rijn mogen uitsluitend installaties worden ingebouwd die overeenkomstig de geldende voorschriften van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart zijn toegelaten en waarop een goedkeuringsnummer is aangebracht. 1. De inbouw of vervanging van radarinstallaties en bochtaanwijzers mag slechts door bedrijven worden uitgevoerd, die door de fabrikant zijn voorgedragen en die door de bevoegde autoriteit zijn erkend. 2. De bevoegde autoriteit deelt per omgaande aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart mede welke bedrijven zijn erkend. Iedere stroomtoevoer voor de radarinstallatie en de bochtaanwijzer moet een eigen zekering hebben en zoveel mogelijk tegen uitval zijn beveiligd. 1. De radarantenne dient zo dicht mogelijk boven de lengte-as van het schip te worden geplaatst. In het stralingsbereik van de antenne moeten zich geen objecten bevinden, die valse echo's of ongewenste schaduwen kunnen veroorzaken; eventueel moet de antenne op het voorschip worden geïnstalleerd. De opstelling