Bijlage 1 Besluit radar- en bochtaanwijzerapparatuur Rijnvaart 1989: voorschriften omtrent de minimum eisen en de keuringsvoorwaarden voor radarinstallaties voor de rijnvaart
Besluit radar- en bochtaanwijzerapparatuur Rijnvaart 1989
Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1.01. Toepassing 1.02. Doel van de radarinstallatie 1.03. Typekeuring 1.04. Aanvraag tot typekeuring 1.05. Typegoedkeuring 1.06. Toestelkenmerken en goedkeuringsnummer 1.07. Verklaring fabrikant 1.08. Wijzigingen aan goedgekeurde installaties Hoofdstuk 2 Algemene minimum eisen voor radarinstallaties 2.01. Constructie en uitvoering 2.02. Uitgezonden radiostoringen en EMC 2.03. Bediening 2.04. Gebruiksaanwijzing 2.05. Inbouw en controle van het functioneren Hoofdstuk 3 Operationele minimum eisen voor radarinstallaties 3.01. Operationele beschikbaarheid van de installatie 3.02. Onderscheidingsvermogen 3.03. Afstandsbereiken 3.04. Variabele afstandsmeetring 3.05. Koerslijn 3.06. Decentrering van het radarbeeld 3.07. Peilschaal 3.08. Peilinrichtingen 3.09. Inrichtingen voor de onderdrukking van ongewenste echo's ten gevolge van golven en neerslag 3.10. Onderdrukking van storingen door andere radarinstallaties 3.11. Compatibiliteit met radarantwoordbakens 3.12. Versterkingsregeling 3.13. Frequentieafstemming 3.14. Nautische gegevens en hulplijnen op het beeldscherm 3.15. Systeemgevoeligheid 3.16. Nalichtspoor 3.17. Dochter-indicatoren Hoofdstuk 4 Technische minimum eisen voor radarinstallaties 4.01. Bediening 4.02. Weergave van het radarbeeld 4.03. Eigenschappen van het radarbeeld 4.04. Kleur van de weergave 4.05. Beeldverversing en opslag 4.06. Lineariteit van de beeldweergave 4.07. Nauwkeurigheid afstand- en azimuthmeting 4.08. Eigenschappen van antenne en zendspectrum Hoofdstuk 5 Keuringsvoorwaarden en -methodes voor radarapparatuur 5.01. Veiligheid, bestendigheid en uitgezonden storing 5.02. Uitgezonden radiostoringen en EMC 5.03. Keuringsmethodes 5.04. Antennemetingen Fig. 1. Onderscheidingsvermogen in azimuth voor de afstandsbereiken tot en met 1200 m Fig. 2. Meetopstelling ter bepaling van het onderscheidingsvermogen van radarinstallaties In deze voorschriften zijn de technische en operationele minimum eisen voor radarinstallaties voor
- a. twee uitvoerige technische beschrijvingen;
- b. twee stel complete schakelschema's en servicedocumentatie;
- c. twee uitvoerige bedieningsvoorschriften;
- d. twee beknopte bedieningsvoorschriften.
- a. inbedrijfstelling en bediening;
- b. verzorging en onderhoud;
- c. algemene veiligheidsvoorschriften (gevaren voor de gezondheid, bijv. beïnvloeding van pacemakers etc., door elektromagnetische straling);
- d. aanwijzingen voor een technisch juiste inbouw.
- a. zich duidelijk onderscheiden van de koerslijn;
- b. nagenoeg continu worden afgebeeld;
- c. over de volle 360° onbelemmerd links- of rechtsom te verdraaien zijn;
- d. aan de buitenrand van het radarbeeld niet breder dan 0,5° zijn;
- e. van de aangegeven oorsprong tot aan de peilschaal lopen;
- f. zijn voorzien van een decimale (drie of vier-cijferige) aanduiding in graden.
- a. over de volle 360° onbelemmerd links- of rechtsom te verdraaien zijn;
- b. van de aangegeven oorsprong tot aan de peilschaal lopen;
- c. zonder verdere aanduidingen zijn uitgevoerd;
- d. zo zijn uitgevoerd dat echo's op het scherm niet onnodig worden bedekt.
- a. draaisnelheid;
- b. snelheid van het schip;
- c. stand van het roer;
- d. waterdiepte;
- e. kompaskoers.
- a. Stand by/on
- b. Range
- c. Tuning
- d. Gain
- e. Seaclutter
- f. Rainclutter
- g. Variable Range Marker
- h. Cursor of Electronic Bearing Line (indien aanwezig)
- i. Ships Heading Marker Suppression.
- a. radarbeeld
- b. vaste afstandsringen
- c. variabele afstandsmeetringen
- d. peilschaal
- e. peilingslijn
- f. nautische informatie bedoeld in artikel 3.14, tweede lid.
- a. radarbeeld en koerslijn
- b. vaste afstandsringen
- c. variabele afstandsmeetringen
- d. peilschaal, peilingslijn en nautische informatie bedoeld in artikel 3.14, tweede lid.
- a. breedte van de hoofdlus: max. 1,2°, gemeten tussen de -3dB punten;
- b. breedte van de hoofdlus: max. 3,0°, gemeten tussen de -20dB punten;
- c. zijlusdemping binnen ± 10° ten opzichte van de hoofdlus: minstens -25dB;
- d. zijlusdemping binnen ± 10° ten opzichte van de hoofdlus: minstens -32dB.
- a. breedte van de hoofdlus: maximaal 30°, gemeten tussen de -3dB punten;
- b. het maximum van de hoofdlus moet op de horizontale as liggen;
- c. zijlusdemping minstens -25 dB.