Art. 205 Vissersvaartuigenbesluit, Plaatsing van hulpverleningsboten
Hulpverleningsboten moeten zijn geplaatst:
1°. zodanig dat ze voortdurend en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn en de tewaterlating binnen 5 minuten kan geschieden;
2°. op een plaats die zowel geschikt is voor het te water laten als voor het terugplaatsen van de boot;
3°. zodanig dat noch de hulpverleningsboot noch de plaatsingsvoorzieningen de behandeling van enig ander groepsreddingmiddel op een andere tewaterlatingsplaats belemmeren; en
4°. in overeenstemming met het bepaalde in artikel 204, indien ze tevens dienstdoen als reddingboot.