Art. 3 EEG-IJkregeling manometers voor luchtbanden, Technische voorschriften
EEG-IJkregeling manometers voor luchtbanden
3.1. Constructie Om blijvend hun goede metrologische eigenschappen te waarborgen moeten de instrumenten stevig en zorgvuldig zijn geconstrueerd.
3.2. Aanwijsinrichting
3.2.1 Zij moeten zijn voorzien van een verdeling in bar; de waarde van het schaaldeel moet 0,1 bar bedragen.
3.2.2 De aanwijsinrichting moet over het gehele meetbereik een rechtstreekse en nauwkeurige aflezing mogelijk maken van de waarde van de gemeten druk. Hiertoe mag het gedeelte van de wijzer dat de deelstrepen bedekt niet dikker zijn dan de deelstrepen. De lengte van de wijzer moet zodanig zijn dat deze de kortste deelstrepen voor ongeveer de helft kan overlappen. De maximale afstand tussen de wijzer en het vlak van de deelstrepen mag niet groter zijn dan de waarde die gelijk is aan de lengte van het schaaldeel, maar in geen geval groter dan 2 mm; bij aanwijsinrichtingen met een ronde wijzerplaat mag de maximale afstand niet meer dan 0,02 L + 1 mm bedragen, waarbij L de afstand is tussen de draaiingsas en de punt van de wijzer in millimeters.
3.2.2 De waarde van de schaaldelen is gelijk over de gehele schaalverdeling. De reële of schijnbare lengte van de schaaldelen, die minstens 1,25 mm moeten bedragen, moet nagenoeg gelijk zijn of wel onderling slechts weinig verschillen. Verschillen in lengte zijn toegestaan, indien het verschil in lengte tussen twee opeenvolgende schaaldelen niet meer dan 20% van de grootste waarde bedraagt en indien het verschil in lengte tussen het kleinste en het grootste schaaldeel niet meer dan 50% van de grootste waarde bedraagt. Elke vijfde deelstreep moet van de andere deelstrepen zijn onderscheiden door een grotere lengte en elke vijfde of tiende deelstreep moet zijn becijferd. De dikte van de deelstrepen moet vrijwel constant zijn zonder 1/5 van de lengte van het schaaldeel te overschrijden.