Bijlage II Regeling grenswaarden voor asbest: bijlage, behorende bij de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 juli 1993, houdende wijziging van de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 december 1988, Stb. 592, houdende regelen met betrekking tot grenswaarden voor asbest

Regeling grenswaarden voor asbest

Vereisten waaraan de wijze van meting van de grenswaarden asbest, bedoeld in de artikelen 2 en 3, ten minste voldoet. 1. De bemonstering van het afvalwater wordt zodanig uitgevoerd dat een monster wordt verkregen dat representatief is voor de geloosde totale hoeveelheid afvalwater gedurende 24 uur. 2. Het monster als zodanig wordt in behandeling genomen zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd. De referentie-analysemethode voor het meten van de totale hoeveelheid gesuspendeerde materie, uitgedrukt in mg/l, is de filtratie over een filtreermembraan van 0,45 µm met droging bij 105° C en weging. De analyse moet zodanig worden uitgevoerd dat wordt voldaan aan de volgende eisen ten aanzien van de precisie en de systematische afwijking: a. de precisie: tweemaal de waarde van de standaardafwijking van een serie meetuitkomsten is kleiner dan, of gelijk aan 5%; b. de systematische afwijking: het verschil tussen de werkelijke waarde en de waarde van het rekenkundig gemiddelde van een serie meetuitkomsten is kleiner dan, of gelijk aan 10%. De serie meetuitkomsten als bedoeld onder a. en b. bestaat uit ten minste 10 enkelvoudige meetuitkomsten. Deze meetuitkomsten worden verkregen uit metingen, verricht nadat steeds de gehele analytische opwerking is doorlopen (volgens een gelijke procedure, door dezelfde waarnemer, met dezelfde middelen en dezelfde hulpstoffen) en onder zoveel mogelijk gelijke omstandigheden als bij de behandeling van het monster.